Van samen denken word je wijzer

2018

Sekse en genderneutraliteit

Hieronder is een samenvatting (korte weergave) te vinden van de stellingen die het uitgangspunt vormden van Filos op maandag 10 september 2018.

Sekse: lichamelijke kenmerken
Gender: culturele man-, vrouwrollen

Door toedoen van de hormonen, testosteron en oestrogeen, ontwikkelen en functioneren de hersenen van mannen zich anders dan die van vrouwen. Door het oestrogeen komt het testosteron niet in de hersenen van vrouwen terecht, wat bij mannen wel gebeurt. Door de menstruele cyclus waarbij de hoeveel oestrogeen in het bloed van de vrouw verandert, veranderen dus ook het functioneren van de hersenen en dus ook haar vaardigheden. Na de overgang, verandert dit ook weer, omdat de hoeveelheid oestrogeen in het bloed blijvend laag is. Verschillende gedrag tussen mannen en vrouwen zijn dus neurologisch bepaald en zijn het grootste tussen pubertijd en overgang. Het is dus normaal dat mannen en vrouwen verschillend zijn.
Eens / Oneens

Sociaal wetenschappelijk onderzoek naar mannen en vrouwen toont vaak een binaire verdeling tussen man en vrouw, terwijl de normaal-verdelingen zo’n grote overlap vertonen dat het binaire eigenlijk niet te onderbouwen is. Het is echter niet interessant om de overeenkomsten (of het gebrek aan verschillen) wereldkundig te maken, dus worden de conclusies binnen de mogelijke marge gekleurd: er is verschil! De consequenties van het onderzoek is dat er een maatschappelijk beeld ontstaat betreffende de verschillende identiteiten die horen bij man, dan wel vrouw. De persoonlijke motieven van de wetenschappers om te publiceren wegen dus zwaarden dan de sociaal-maatschappelijke consequenties van de bedenkelijke conclusies. Het zou beter zijn als we onderzoek naar man-vrouw-verschillen verbieden.
Eens / Oneens

De filosofe Judith Butler beziet sekse en gender niet als een biologisch fenomeen met specifieke fysieke kenmerken maar als een activiteit. Een mens doet vrouwelijk, of juist mannelijk. Man-zijn en ook vrouw-zijn betreft dan een ritueel wat dagelijks wordt uitgevoerd. Waarbij dit ritueel uiteraard bijdraagt aan de identiteit van de persoon. De vorm van het ritueel is sterk bepaald door een culturele en sociale kleuring en schakering. Ziekte (bijvoorbeeld een borstamputatie), traumatische seksuele ervaringen, of brand, verstoren het ritueel (de passende kleren zijn verbrand) wat kan leiden tot een persoonlijke crisis.
Verandering van perspectief, dus het loslaten van de neurologische en biologische uitgangspunten, biedt mensen de vrijheid om zelf te kiezen voor het ritueel dat hun het beste past, waardoor grotere vrijheid voor het individu ontstaat.
Eens / Oneens

De wens om te wisselen van gender kan zowel een biologische fysische oorzaak hebben, als een culturele (rituele) oorzaak. Cultureel gezien leidt het binaire denken over man vrouw dat mensen een keuze moeten maken of ze man of vrouw zijn, er is geen ruimte voor diversiteit binnen de verschillende sekse, waardoor individuele mensen onnodig moeilijkheden krijgen met wie ze zijn.
Eens / Oneens

Het wordt algemeen aangenomen dat rassen-discrimatie vooraf ging aan onderzoek naar verschillende rassen, waarna werd aangetoond dat er verschillende rassen zouden bestaan. Onderzoek naar de verschillen tussen mannen vrouwen zijn afgeleide van discriminatie van één van de twee seksen, waarbij de resultaten van het onderzoek worden gebruikt om de discriminatie te onderbouwen als correct. Onderzoek werkt, net zoals dit het geval was bij rassendiscriminatie, seksediscriminatie in de hand.
Eens / Oneens

Seksuele intimidatie is niets anders dan machtsmisbruik, dit staat los van sekse of gender. Door het machtsmisbruik te linken aan seksualiteit en gender, blijft het machtsaspect buiten beschouwing, waardoor de macht niet wordt verstoord en de situatie dus niet verandert. We doen er goed aan om dergelijk misbruik uit de man-vrouw-relatie te trekken en zo doende het machtsmisbruik boven water te krijgen, en de werkelijke oorzaak wordt aangepakt.
Eens / Oneens

Feminisme en de zorgtaken van de man zijn er vooral opgericht dat de vrouw mannelijker wordt en de man vrouwelijker wordt. Hierdoor verdwijnen de sociaal-maatschappelijke verschillen, die cultuur bepaald zijn, echter niet, maar worden ze versterkt. De man moet meer vrouw zijn en de vrouw moet meer man zijn. Het zou beter zijn om vaardigen te ontdoen van de kwalificering ‘mannelijk’ dan wel ‘vrouwelijk’ om zo stigmatisering en discriminatie te voorkomen.
Eens / Oneens

Het verschil tussen man en vrouw ligt besloten in onze taal, als het ons lukt om de taal te veranderen, dus een neutraal woord voor mens te introduceren waarmee iedereen kan worden aangesproken, dan verdwijnt vanzelf het verschil tussen man en vrouw, jongen en meisje.
Eens / Oneens.
Comments

Welzijn en kwaliteit van leven

Welzijn en Kwaliteit van leven

Er wordt over welzijn en kwaliteit van leven gesproken in twee, ogenschijnlijk, verschillende werelden: bij mensen en bij dieren. Bij mensen ontstaat de aandacht voor welzijn en kwaliteit van leven vooral bij ziekte en ouderdom, bij dieren is er aandacht voor zodra dieren afhankelijk zijn van de mens, waaronder in de veeteelt, als huisdier en in dierentuinen.

De parellel met de mens is overigens snel getrokken: het welzijn wordt ook dan belangrijk als een mens wordt toevertrouwd aan de zorg van een ander. We bekommeren ons doorgaans niet om het welzijn, of de kwaliteit van leven, wanneer mensen zelfstandig hun bestaan vorm geven. Misschien is ook de ARBO-wetgeving een vorm van welzijnszorg. Welzijn wordt belangrijk zodra iemand niet (meer) geheel zelf verantwoordelijk is en/of kan zijn voor zijn eigen leefomgeving. We zoeken een houvast om op verantwoorde wijze voldoende zorg aan de dag te leggen.
Kwaliteit van leven speelt vooral een rol, wanneer mensen zelf iets over hun leven te zeggen willen hebben, wanneer ze dit zelfs als onvoldoende ervaren en wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een wens tot euthanasie. Ook speelt kwaliteit van leven een rol wanneer een besluit genomen moet worden over dure zorg; hoeveel mag zorg kosten in relatie tot extra maanden kwaliteit van leven.

Nadenken over het welzijn van de ander (mens en/of dier) lijkt dus duidelijk gerelateerd aan een meer of mindere mate van verantwoordelijkheid voor de ander. Kwaliteit van leven lijkt vooral samen te hangen met de waardering van het leven dat er geleden wordt (ongeacht welzijn). De wereld gezondheidsorganisatie herkent verschillende domeinen die allen deel zijn aan kwaliteit van leven. In deze vorm lijkt het concept van kwaliteit van leven ook gebruikt te worden om te beoordelen wat de (financiële) waarde van iemands leven is, in het bijzonder de waarde van het leven van de ander. Het wordt geobjectiveerd. Het gaat dan om fysiologische gezondheid, psychologische gezondheid, mate van onafhankelijkheid, sociale relaties, omgeving (waaronder vrijheid, fysische veiligheid, thuissituatie en transportmogelijkheden) en persoonlijke overtuigingen en geloof. Een van de aspecten die hierbij een rol spelen ligt besloten in de vraag: hoe beleeft en/of ervaart de persoon zelf zijn leven. Deze vraag doet recht aan het fenomeen dat mensen in gelijksoortige omstandigheden (waaronder, in dit geval, ook hun eigen fysieke toestand valt) hun leven heel anders kunnen waarderen.

Ik wil dan ook een onderscheid maken tussen welzijn en kwaliteit van leven, juist vanwege de persoonlijke beleving. Laat ik maar als volgt formuleren: welzijn is de meting van buiten, en idealiter zo multidimensionaal mogelijk. De kwaliteit van leven draait om de vraag hoe iemand zelf zijn leven waardeert. Waarbij het reëel is dat er een correlatie bestaat tussen een slechte staat van welzijn en een slechte kwaliteit van leven, maar heel zeker is dat niet. Of anders geformuleerd: De kans is aanwezig dat leven onder slechte welzijnsomstandigheden samen gaat met een slechte kwaliteit van leven, maar dat hoeft dus niet.

De optimale situatie

Wanneer we spreken over dierenwelzijn, dan is men al gauw op zoek naar dat wat nodig is voor de goede of nog beter zelfs de ideale situatie. We hebben misschien wat in te halen. Mede dankzij Descartes werd het lichaam en de lichamelijkheid teruggebracht tot een functionaliteit en de rede maakte het leven van de mens uniek. Dieren kenden alleen maar de functionaliteit van het lichaam en geen denkend en/of emotioneel leven. Hierdoor kon (en mocht) de mens alles met het dier doen. Hier is een praktijk uit ontstaan waarin dieren weldegelijk in hun welzijn worden aangetast, zeker nu blijkt dat dieren wel een redelijk en emotioneel leven hebben. Bentham schreef al ‘het is niet de vraag of dieren kunnen denken, het is de vraag of ze kunnen lijden’. Als een dier kan lijden, dan heeft het recht op een leven zonder leed, of toch op z’n minst een leven met zo min mogelijk leed. Sindsdien is er veel onderzoek gedaan naar het emotionele en rationele bestaan van dieren en wordt steeds meer aangenomen dat dieren kunnen denken (oorzaak en gevolg relaties leggen) en verwachtingen hebben.

Binnen het denken over dierenwelzijn staat aan de ene kant van het spectrum het optimale welzijn en aan de andere kant de ontkenning van de noodzaak om voor het welzijn te moeten zorgen. Waarschijnlijk houden deze twee elkaar ook goed bezig. Een ander perspectief creëert een ander spectrum, te weten enerzijds: dieren hebben recht op een zo natuurlijk mogelijke situatie en staan nooit en te nimmer ten dienste van de mens, en anderzijds: dieren worden nu eenmaal door de mens gebruikt, probeer het leven voor dieren zo goed mogelijk te laten zijn, waarbij hun leven zich kenmerkt door een bestaan in een gedomesticeerde omgeving. Kosten en baten spelen hierbij een belangrijke rol. Hulpmiddelen kunnen dan ook gewoon worden ingezet en beperkingen horen erbij. Een hond die met een keizersnede moet worden geboren, omdat zijn kop te groot is voor het geboortekanaal van de teef, is dus in de ogen van de één, wel een substantieel welzijnsprobleem, voor de ander niet. Een adequate leefomgeving is dus een leefomgeving die een hoog welzijn weet te realiseren, terwijl het dier onder niet-aangepaste omstandigheden onmiskenbaar zou lijden.

Wanneer we aan de kant van het optimale gaan zitten, dan zou dat de volgende vraag kunnen oproepen, een vraag die zowel voor mens als voor dier opgaat. Leidt een optimaal welzijn tot een beter leven, in de betekenis van kwaliteit van leven? Veel mensen weten dat niet alles wat ze doen goed voor ze is. Ook menig dier heeft een voorkeur voor ongezond eten. Het bekendste voorbeeld is misschien wel de kat, die een schoteltje slagroom niet kan weerstaan. En als het aan de hond ligt, dan eet hij heel de dag door en veel meer dan goed voor hem is. Hier spelen eigenlijk twee dingen een rol, 1) weten wat niet goed is voor het welzijn en 2) het fenomeen dat het kennelijk voor menigeen moeilijk is om een verleiding te weerstaan. Het weerstand bieden tegen een verleiding speelt kennelijk ook een rol in de beleving van de situatie. Het genot zal ook een rol spelen, wanneer iets lekker is. De trots om de verleiding te weerstaan heeft ook weer zijn impact. Wellicht speelt dan ook de keuzevrijheid mee. Wanneer het goede welzijn een gegeven is, in hoeverre hebben we dan als mens nog de keuze om zelf te kiezen voor het één of het ander?

Uiteraard weten we niet zo goed wat het optimale is. Zelfs bij dieren komen we daar niet zo goed uit. Hoeveel bewegingsvrijheid heeft een varken nodig? Hoe vaak moet een hond naar buiten? Hoelang moet met hem gespeeld worden? Is het beter voor de hond als hij een hond als speelkameraadje heeft, of zijn we als gezin goed genoeg? Er zijn grote individuele verschillen en dit geldt natuurlijk net zo goed voor de mens. Zowel een mens als een dier zijn een optelsom van delen, waarbij het geheel meer is dan de delen apart. Dat wat nodig is voor goed welzijn kan dus ook tussen mensen erg verschillen. Bij dieren hebben we het er dan over dat de juiste leefomgeving mede beïnvloedt wordt door genen, door socialisatie en door habituatie. Is zo’n zelfde kader ook bij de mens aanwezig?

Stel dus, dat we het optimale welzijn zouden kunnen bepalen voor een individuele mens, levert een leven in een dergelijke situatie dan ook de hoogste kwaliteit van leven op? Deze vraag gaat dus over de relatie tussen welzijn en kwaliteit van leven. Is er een relatie? Is er sprake van een correlatie? Zijn het wellicht twee totaal verschillende perspectieven waarmee we naar het leven van een individu kunnen kijken?

Welzijn en stress

Bij dieren is er veel onderzoek gedaan naar de invloed van stress op het welzijn van het dier. Ze hebben hierbij moeten constateren dat er fysiologisch gezien weinig verschil is tussen negatieve stress en een positieve verhoogde activiteit. Vooralsnog lijkt het verschil te zitten in het gevoel van controle en de mate van voorspelbaarheid. Als het gevoel van controle en/of de mate van voorspelbaarheid hoog zijn, dan verloopt het fysiologisch proces van herstel, sneller dan wanneer het gevoel van controle en/of de voorspelbaarheid laag is.

Wonderlijk genoeg lijken we, en misschien zit ik er helemaal naast, bij de mens weinig te doen met deze wetenschap. Heel wat welzijn wordt aangetast bij de mens door stress die gepaard gaat met een lage mate van voorspelbaarheid en/of controleerbaarheid. Je zou kunnen zeggen dat de het denken over de balans tussen privé en werk, misschien wel over de verschillende vormen van stress gaat, of misschien - in de verte - over het herstel van stress, maar echt duidelijk is het niet. Veel mensen ervaren hun leven als druk, maar er wordt dan weinig onderscheid gemaakt tussen belasting waarna het goed herstellen is, en belasting waarvan we slechts langzaam herstellen.

De stress die slecht herstelt, dus die waarvan de controle en/of de voorspelbaarheid laag is, leidt bij dieren tot symptomen die moeilijk te observeren zijn, maar waardoor het dier wel vatbaarder wordt voor ziekte (het immuunsysteem wordt aangetast) en inteert op zijn (voedsel) reserves in zijn lichaam. Ogenschijnlijk is er niets aan de hand. Chronische stress, die niet veel hoeft te zijn, maar wel langdurig is, wordt beschouwd als een aantasting van het welzijn van het dier. Welke plek heeft stress bij de mens als we spreken over welzijn? Vaak ervaart de mens chronische stress weldegelijk als een vermindering van de kwaliteit van leven, terwijl kortdurende stress wel als vervelend maar niet als een welzijns-issue wordt ervaren. Het is bijzonder dat de positieve aanzet tot activiteit (voorspelbaar en controleerbaar) goed voor mens en dier is, en dat dit juist het welzijn verhoogd (mits ook dan hersteltijd in acht genomen wordt).

Aanleg en ervaringen

De socialisatie en habituatie bij het dier zijn van invloed op de manier waarop het dier zijn leefomgeving beleeft en ervaart. Je zou kunnen zeggen dat aanleg, leren en gewenning leiden tot een leefsituatie waarin iemand zich goed voelt. Een kind dat in de drukte van de stad opgroeit en die drukte als normaal beschouwd zal naar alle waarschijnlijkheid zich beter voelen in de stad dan er buiten. Honden die als puppy onvoldoende in aanraking komen met mensen, blijven gedragsproblemen vertonen in relatie met mensen, omdat ze niet weten hoe ze met die mensen om moeten gaan. De aanwezigheid van mensen leidt dan tot stress. Voor dieren, zeker voor huisdieren, speelt die socialisatie een belangrijke rol in het uiteindelijke welzijn van het dier. Als het dier op het juiste moment gewend raakt aan allerlei huiselijke dingen, dan zal het deze later niet als stressvol (negatief) beschouwen.

Vanuit deze ervaring komt een individu dus ook tot verschillende eisen voor welzijn. Iemand die gewend is dagelijks het nieuws en de actualiteiten te volgen en te bespreken stelt andere eisen aan zijn welzijn en kwaliteit van leven dan iemand die graag naar sportwedstrijden kijkt. Je zou dit natuurlijk kunnen vangen onder ‘geloof en persoonlijke overtuigingen’, maar de vraag is of er dan wel recht gedaan wordt aan wat bij dieren socialisatie en habituatie wordt genoemd. Een mens kan allerlei gewoontes hebben, die wanneer ze verbroken worden tot een gevoel van discomfort kunnen leiden, te denken valt aan eetgewoontes, dag- en nachtritme, muziekvoorkeuren, hobbies en tijdverdrijf. In hoeverre spelen deze zaken een rol wanneer we kijken naar welzijn en kwaliteit van leven als een mens wordt toevertrouwd aan de zorg door een ander in een instelling? Op deze manier kan dus een grote discrepantie ontstaan tussen fysieke leefomgeving en de beleving van die omgeving.

Filosofen over welzijn en kwaliteit van leven

Kun je welzijn en kwaliteit van leven vergelijken met ‘het goede leven’? Is een goed leven (in de betekenis van levenskunst) ook een leven met een goede kwaliteit? Mill, als utilitarisme (het grootste goed voor de grootste groep) heeft een prachtig citaat nagelaten over een varkentje, een gek en Socrates: Liever een ongelukkige mens dan een gelukkig varkentje, liever een ongelukkige Socrates dan een gelukkige gek. Geluk en kwaliteit lijken dan niet samen te vallen. Voor Mill is het belangrijk dat je je als mens ontwikkelt en deze ontwikkeling gaat gepaard met twijfels, inspanningen en tegenslagen.
Bij Nietzsche komen we een soortgelijke oefening tegen. Hij heeft het over rijkdom: het kunnen dragen van tegenslagen in het leven, niet alleen financieel maar ook emotioneel. Dingen waar je niet van dood gaat maken je sterker.

Peter Bieri lijkt echter een hele andere vraag te stellen, te weten: wil ik een mens zijn die ongelukkig is met zijn leven. Hij ziet de menselijke mogelijkheid om dit gevoel van ongeluk te veranderen. Het is overigens niet helemaal duidelijk of we dit tot het uiterste kunnen doorvoeren. Bij iedere keuze die we maken kunnen we de vraag stellen of we ons met die keuze kunnen identificeren, maar als iets heel vervelends je overkomt in hoeverre kun je je dan nog identificeren met de persoon. Je kunt je wel afvragen hoe je vindt dat je op zo’n gebeurtenis zou moeten / willen reageren en wat nodig is om dat te doen. Kun je je eigen kwaliteit van leven beïnvloeden? En zo ja, hoe doe je dat?
Comments

Macht en verbeelding

Deze maand van de filosofie sluiten we aan bij Macht en verbeelding, het essay van Femke Halsema. Wat zijn de belangrijkste pijlers van het essay? Op pag. 15 in het boekje beschrijft Halsema, verwijzend naar Rorty en Kuhn, het belangrijkste uitgangspunt van progressieve politiek. Progressief krijgt dan de betekenis van vooruitgang en deze vooruitgang heeft betrekking op persoonlijke verbetering. De verbetering is belangrijker dan het realiseren van een doel. Het verbeteren van de samenleving ziet ze dan als volgt: “als we onszelf en elkaar - en vooral de kwetsbaarsten onder ons - beter weten te vrijwaren van vernedering. De vernedering van bijvoorbeeld geweld, maar ook die van slavernij, van armoede en kansloosheid, van uitbuiting door multinationals of het afgesneden zijn van schoon drinkwater en medicijnen.” Het is dus geen doel op zich maar een geestesgesteldheid. Het kan altijd beter en rechtvaardiger. Andere waarden van een progressieve politiek zijn: openheid, tolerantie en kosmopolitisme.

Kennis van de geschiedenis is voor Halsema belangrijk omdat de geschiedenis ons leert dat we al eerder succesvol waren in het realiseren van een rechtvaardigere samenleving. Zaken als vrouwenrechten en homo-emancipatie waren ooit niet gewoon. De progressieve beweging heeft dit mogelijk gemaakt dus ook nu kan het beter. Er is altijd ruimte voor verbetering.

Een belangrijk onderdeel heeft betrekking op patriotisme (vaderlandsliefde). Volgens Halsema is dit niet strijdig met progressieve waarden. Een nationaliteit is iets dat we ons verbeelden en dat rust op gezamenlijke verhalen, op de dingen die we delen. Omdat de verhalen veranderen verandert ook die specifieke identiteit. Het Nederlands-zijn is dus geen vaste iets, maar fluïde, kent zelfs geen algemene deler, maar ontstaat in gedeelde verhalen (die niet met iedereen gedeeld hoeven te zijn). Ook speelt de eigen geschiedenis een rol, omdat in de geschiedenis verhalen ontstaan die voortleven (al dan niet op identieke wijze) in onze tijd.

Haar betoog is dus een politiek van hoop. Progressieve politici kunnen nog steeds in deze tijd veel bijdragen aan onze samenleving. Ze constateert dat we in een tijd van vervreemding leven, onder andere gekenmerkt doordat de geventileerde status van Nederland door populistische politici niets te maken heeft met de daadwerkelijke status van Nederland zoals onderzocht door het Sociaal Cultureel Planbureau. Op deze manier vervreemd de burger en verdwijnt de publieke ruimte waar mensen met elkaar de samenleving maken. Om dit toe te lichten verwijst Halsema naar de idee van Hannah Arendt.

Ze constateert dat politiek partijen de rechtvaardigheid als waarde voor de samenleving lijken te verkwanselen. De progressieve partijen moeten zich dus verbinden om te streven naar die rechtvaardigere samenleving.

  • Wie is verantwoordelijk voor een betere samenleving?
  • Wat is een rechtvaardigere samenleving? wat is rechtvaardigheid? en wat maakt iets rechtvaardiger?
  • Wat is de rol van hoop in de politiek en wat is de rol van hoop in de samenleving?
  • Wat is patriotisme in relatie tot cultuur en als gemene deler voor de Nederlandse identiteit?
  • Wat betekent “vervreemding van de samenleving” en hoe ontstaat dat?

Hangen vervreemding en een gebrek aan gedeeld verhaal met elkaar samen? In hoeverre kun je een samenleving met zoveel verschillende subculturen nog spreken van een gedeeld verhaal? Sluit je met een gedeeld verhaal niet ook altijd mensen buiten die het betreffende verhaal niet delen? Het gedeelde verhaal van Nederland Waterland met zijn poldermodel zit dan wellicht wel in onze genen (of toch ten minste bij sommige mensen), maar beleeft iedereen dat zo? Is dat genoeg om je “Nederlanders’ door te voelen?
Is het gedeelde verhaal hetzelfde als cultuur? Maar ook daarin is er veel diversiteit; stedelingen staan op een andere manier in het leven, hebben andere omgangsvormen en andere waarden dan bijvoorbeeld boeren of mensen die in een dorp wonen, en dat varieert ook weer per stad en regio. Dus wat is cultuur eigenlijk als er zoveel variatie is, zelfs zonder westerse- en niet-westerse immigranten.
Ontstaat vervreemding wellicht door onbekendheid? Onbekend maakt onbemind.
Is vervreemding het resultaat van beeldvorming, zoals Halsema dit beschrijft? Of voelen mensen zich daadwerkelijk ontheemd in hun eigen omgeving? Het centraal cultuur planbureau stelt na onderzoek dat het merendeel van de mensen zich helemaal niet zo vervreemd voelt. Is die vervreemding iets wat we ons verbeelden? Hebben we zelf het gevoel dat we vervreemd zijn?
Is een gedeelde cultuur nodig om een samenleving te kunnen vormen? Wat maakt de kern uit van een samenleving. Moet iedere burger meer met elke andere burger delen dan alleen het paspoort? Speelt taal een rol, of is zelfs dat niet echt noodzakelijk? Gedeelde verhalen kunnen ook per groep verschillen en mensen kunnen deelzijn van kleine gemeenschappen in hun leefomgeving, zoals sportverenigingen, scholen en religieus georiënteerde verenigingen. Bij grensgebieden is ook zichtbaar dat mensen met verschillende talen wel degelijk ook leefgemeenschappen kunnen vormen. Mag iedereen een eigen gevoel hebben bij “Nederlander zijn”, of moet dan iedereen aan hetzelfde denken?
Cultuur is als een geestelijke parasiet (Viktor Frankl) waar iedereen mee besmet raakt ik een korte tijd. Zo drukken we de wereld uit in geld, maar dat is pas sinds 30 jaar usance. Het #metoo verhaal lijkt ook als een bezetene om zich heen te grijpen, iedereen raakte er me besmet. Niet elke cultuur-vorming draagt iets goeds in zich, zo kan discriminatie en onrechtvaardigheid in een cultuur verankert zitten, en eerder slecht dan goed zijn. Cultuur is dus niet per definitie goed. Cultuur vraag ook om een kritische houding van de mensen die erin leven. Een onderzoek met apen die natgespoten worden toont ook aan dat we kennis en ideeën overdragen zonder dat we weten waarom.

In het essay van Femke Halsema lijkt de verantwoordelijk voor een betere samenleving richting politiek geschoven te worden, ligt hier die verantwoordelijkheid eigenlijk wel? We komen eigenlijk tot een trits, en als we Vlaanderen erbij betrekken zelfs tot een vierspan die waarin, ieder op hun eigen manier, die verantwoordelijkheid besloten ligt: 1) het individu, 2) politieke partijen en hun beleid, 3) grootbedrijf en multinationals en 4) het sociale middenveld. Wanneer al deze partijen dragen hun verantwoordelijkheid ten opzichte van een betere wereld en een betere samenleving. De vraag is natuurlijk wel: wat is beter? Persoonlijke (of bedrijfsmatige) die gepaard gaat met uitbuiting lijkt dan niet te passen bij een betere samenleving. We realiseren ons ook, dat voor goede dingen ook een politieke verankering nodig is en dat de verleiding om voor eigen gewin te gaan groot is. Dit ontstaat het individu echter niet van een verantwoordelijkheid. Toch is het ook niet eenvoudig om hier zomaar iemand op aan te spreken.
Het sociale middelveld zoals dat een algemeen bekend fenomeen is in Vlaanderen - waaronder: verenigingen, kerken, bonden en gemeenschappen - zou hier een belangrijke rol in kunnen spelen, juist omdat ze mensen verbindt en in ook inhoudelijk aan zich weet te binden. Dit middenveld lijkt echter ook drastisch af te brokkelen. Mensen zitten veel in allerlei verschillende gemeenschappen, waardoor ook die betrokkenheid anders lijkt te liggen. Het is ook voor die gemeenschappen veel moeilijker om mensen voor langere tijd aan zich te binden. Hun beïnvloedingsmogelijkheden zijn dus veel minder groot.

Is hoop een mogelijke leidende factor? Wat betekent hoop in een politieke context? Een utopie is ook een vorm van hoop, maar bergt ook maatschappij kritiek in zich. Is er een relatie tussen kritiek en hoop? Wellicht wel: zonder hoop heeft kritiek geen zin, waarom kritiek geven als het niets uit zou maken? Hoop kan ook de betekenis hebben van ‘een laatste strohalm’, wat dan toch eigenlijk weinig hoopvol is. Vertrouwen, dromen en visies lijken een veel actievere connotatie te hebben dan hoop? Toch is het ook de hoop die doet leven? Halsema beschrijft in ieder geval een vorm van hoop of verwachting dat het beter kan en dat het mogelijk is om dit te realiseren.
Comments

Mantelzorg een morele plicht of eigen keuze

De onderwerpen die ter overdenken genoemd werden zijn de volgende:
  • Onsterfelijkheid
  • Houden van
  • Kun je alles in vraag stellen? Wat betekent dat voor de antwoorden?
  • Nazi-kunst, mag dat?
  • Is het de opdracht van een democraat om niet democratisch gedachtengoed te bekritiseren?
  • Mantelzorg, wie te helpen? Een ethische plicht of een persoonlijke keuze?

De keuze voor deze avond is gevalen op Mantelzorg

We bezien (in eerste instantie) de mantelzorg vanuit de gever. In de praktijk blijkt dat het ene kind wel en het andere kind geen mantelzorg geeft aan de ouder. Zijn er kader op grond waarvan je kunt bepalen of een kind wel of geen zorg moet/hoort te geven? En geldt dat alleen voor kinderen of ook voor vrienden en/of buren?

Er zijn een aantal mogelijke referentie-kaders die direct ter tafel komen:
  • ik wil zelf ook zorg ontvangen en dus geef ik zorg
  • ik ervaar het als een morele plicht om voor mijn ouders te zorgen
  • vanuit de liefde voor mijn ouders vind ik het normaal om voor hen te zorgen
  • we hebben een unieke relatie en zorg hoort daarbij
  • ze hebben vroeger ook voor mij gezorgd, dus nu zorg ik voor hen
  • het geeft mij voldoening om voor mijn ouders te zorgen
  • ik gun mijn ouders het goede en dus zorg ik voor ze

Dit zou je tot verschillende referentiekaders kunnen herleiden zoals wederkerigheid, liefde (in de vorm van belangenloosheid en vanzelfsprekendheid), het relationele, persoonlijke voldoening, morele plicht en persoonlijke waarden (het goede).

De wederkerigheid kenmerkt zich door een vorm van economische relatie. Als kind sta je als het ware in het krijt bij je ouders en door mantelzorg te verlenen betaal je je schuld terug. Hetzelfde geldt voor de gedachte, dat je iets doet omdat je het zelf ook graag zou ontvangen. Bij mantelzorg is dat laatste natuurlijk ingewikkeld omdat de relatie tussen gever en ontvanger niet direct wederkerig is, maar eerder een soort ‘mensheid’ veronderstelt. Je zou hierbij kunnen zeggen dat de wederkerigheid in de familie relatie ligt, maar deze wederkerigheid kan zich veel verder uitstrekken. De geïnstitutionaliseerde zorg, is eigenlijk ook deze wederkerigheid, we zorgen er via premie-betaling en zorginstellingen voor dat zorg voor iedereen beschikbaar is.
Liefde als belangeloze vanzelfsprekendheid, heeft een heel persoonlijk aspect. Vanuit hetzelfde uitgangspunt kun je ook zeggen om het niet te doen, omdat de zorgtaak de relatie vertroebeld. Filosofisch valt deze wellicht het beste te vergelijken met de zorg voor de ander die je vragend aankijkt, zoals dit door Levinas beschreven wordt. Bij Levinas gaat het echter om iedere ander en is het niet ingegeven door liefde. We kunnen dit wel zien als een hulpvraag die niet genegeerd kan worden, net zoals het kind dat in de vijver valt. We kunnen de nood van de ander ontkennen noch negeren wanneer we tegenover de ander staan.
Het relationele gaat er vanuit dat de mantelzorg gegeven wordt door iemand die dat relationeel ook kan. Dit wordt overigens mede bepaald door de ontvanger. Zo kan een ouder mantelzorg prima vinden wanneer dit door de kinderen wordt gedaan, maar wassen, douchen en aankleden mag niet gedaan worden door diezelfde kinderen, daar is dan de thuiszorg voor. Mantelzorg in deze context kan dan simpelweg ook bestaan uit ‘er zijn’ en aandacht geven, in een veel hogere frequentie dan in de gezonde periode.
De persoonlijke voldoening beschrijft vooral het proces waarin iemand hulp verleent waarbij het goed-voelen en de voldoening bij de hulpverlener leidend is. Zolang het goed gaat (en goed voelt), wordt de mantelzorg verleend. Het zorg-verlenen is hierbij een vorm van zingeving voor de persoon die het doet.
De morele plicht sluit aan bij de plichten-ethiek van Kant. Zelfs als het niet goed is voor de zorg-verlener, zal de mantelzorg verleend worden. De persoon in kwestie kan het gewoon niet laten, voelt zich verplicht om het te doen.
Wanneer persoonlijke waarden meespelen, dan lijken we bij Aristoteles uit te komen. Hulpvaardigheid is dan de centrale waarde, samen met rechtvaardigheid doordat ieder mens recht heeft op een goed leven. Dit kan alleen gezamenlijk vorm krijgen. Naar alle waarschijnlijkheid zal deze persoon, goed nadenken over de grenzen: wat moet ik wel doen en wat niet (wat is te veel en wat is te weinig)?

Zijn deze modellen louter voor de intieme relaties van toepassing, waaronder familie en vriendschappen, of gaat dit over iedere mens, zoals Peter Singer dit beschrijft? Singer lijkt de intimiteit van de persoonlijke relaties en/of het face-to-face contact van de persoonlijke directe hulpvraag niet in ogenschouw te nemen. Hij zoekt een ethiek die voor iedereen op elk moment toepasbaar is. Een ethiek om je surplus te delen met diegene die dat ontberen. En hoewel we erkennen dat ook mantelzorg een surplus veronderstelt (surplus aan tijd) met daarbij de mogelijkheid om te kunnen helpen, weten we het toch nog niet zo zeker of we dit surplus aan een willekeurig iemand willen geven. Praktisch, zeker wanneer de eigen ouders ver weg wonen, zou dit wellicht veel handiger zijn. De mantelzorg wordt dan geruild, de ouders ver weg worden geruild voor iemand dichtbij, en de ouders ver weg, krijgen dan de hulp van iemand dichtbij. Is dit een werkbare en/of wenselijke vorm van mantelzorg?
Het lijkt erop dat de idee van Levinas vooral veronderstelt dat we die ander ook wel iedere keer weer tegenkomen, al is het maar in onze herinnering. We verliezen de ander, die hulp nodig heeft, vaak toch erg makkelijk uit het oog.

Kun je de ander dwingen om mantelzorg te verlenen?
Dit is best een actuele vraag. Heel wat mantelzorgenden kinderen worden geconfronteerd met broers/zussen die geen mantelzorg verlenen doordat ze te ver weg wonen, geen tijd hebben of zich hiertoe niet geroepen voelen. En hoezeer de motieven om het wel te doen variëren, geen van al deze motieven dienen als stok om een ander vriendelijk doch dringend te verzoeken. Wonderlijk eigenlijk hoe het geven van hulp eigenlijk geen afdwingbare vorm van verplichting kent. Maar dat is ook niet helemaal waar: het is wel degelijk strafbaar om iemand die in nood verkeert niet helpen. Is mantelzorg een vorm van noodhulp? Hoezeer mensen zich zelf verplicht voelen, een ander kan niet verplicht worden.
Toch lijkt ook de samenleving de vraag weldegelijk bij ons allen neer te leggen. Natuurlijk is er de thuiszorg, maar dat is, zo lijkt het, niet genoeg. Het leven bestaat uit meer dan alleen een natje en een droogje of fysieke bijstand in de levensbehoefte. Een mens leeft ook van aandacht en contact. Hierin lijkt ook de persoonlijke relatie een belangrijke rol te spelen. Beatrijs - moderne manieren - beantwoord een vraag waarin het persoonlijke lijkt te vervagen en plaatsmaakt voor een zorgrelatie: zieke vriend verzorgen of neerdrukkende mantelzorg

Waarom willen we de ene persoon wel helpen en de ander niet? Hierin lijkt die persoonlijke relatie een belangrijke rol te spelen. Toch zijn er culturele verschillen. Zo bestaat in het Oosten van het land het zogenoemde Noaberschap, waarbij eigenlijk iedereen in de gemeenschap de plicht heeft om een buurtgenoot die hulp nodig heeft te helpen. Uiteraard kent dit ook een nieuwe vorm: noaberschap 2.0. Voor ons, op afstand, is het moeilijk om te beoordelen hoe dit werkt en of dit werkt. Het lijkt wel degelijk ook een verplichting in te houden. De sociale druk is wellicht erg hoog. Maar het heeft ook wel iets van wederkerigheid. Hulp is dichtbij en dus bereikbaar en alleen met elkaar hou je het geheel goed leefbaar. Hoe ‘afgelegener’ het gebied hoe meer mensen op elkaar zijn aangewezen.

Het aandachtspunt verschuift van hulpverlener naar hulpvrager. Opeens ziet het zorglandschap er dan heel anders zijn. Sommige van ons willen het helemaal niet dat hun kinderen hun helpen, terwijl ze zelf wel hun ouders helpen. Ook vragen we ons af, in hoeverre de zorg die we verlenen wel de zorg is waar iemand op zit te wachten. Waaruit bestaat zorg eigenlijk? Kun je een ander helpen om zichzelf te helpen? Hoe zorg je dat zorg een gelijkwaardige relatie blijft. Paternalisme en badinerend gedrag loeren om de hoek, zowel in de mantelzorg als in de professionele zorg. Maar ook zorg-krijgers kunnen emotioneel chanteren. Hoe hier mee om te gaan? Maar ook: wat is de zorgvraag? is dit een verzoek om contact en aandacht of om concrete praktische hulp? Hulp geven kan ook een vlucht zijn om geen persoonlijke aandacht te hoeven geven, of juist om een praktisch tintje aan het persoonlijke te geven.

Een ander aspect van de hulpvrager is dat het wellicht niet makkelijk is om hulp te vragen. Zeker wanneer die vraag niet tijdelijk is en eigenlijk alleen maar groter wordt. Wat betekent dit voor die persoon en wat betekent dit voor de relatie tussen mensen, waarbij de rolverdeling verandert?
Comments

Emoties en gedrag

Emoties en gedrag

Deze avond hield Jacomijn Hendrickx een inleiding over emoties en gedrag, haar voorbereiding is hier te downloaden.
Emoties en gedrag
Comments

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en geanonimiseerd.