Van samen denken word je wijzer

Nietzsche

Welzijn en kwaliteit van leven

Welzijn en Kwaliteit van leven

Er wordt over welzijn en kwaliteit van leven gesproken in twee, ogenschijnlijk, verschillende werelden: bij mensen en bij dieren. Bij mensen ontstaat de aandacht voor welzijn en kwaliteit van leven vooral bij ziekte en ouderdom, bij dieren is er aandacht voor zodra dieren afhankelijk zijn van de mens, waaronder in de veeteelt, als huisdier en in dierentuinen.

De parellel met de mens is overigens snel getrokken: het welzijn wordt ook dan belangrijk als een mens wordt toevertrouwd aan de zorg van een ander. We bekommeren ons doorgaans niet om het welzijn, of de kwaliteit van leven, wanneer mensen zelfstandig hun bestaan vorm geven. Misschien is ook de ARBO-wetgeving een vorm van welzijnszorg. Welzijn wordt belangrijk zodra iemand niet (meer) geheel zelf verantwoordelijk is en/of kan zijn voor zijn eigen leefomgeving. We zoeken een houvast om op verantwoorde wijze voldoende zorg aan de dag te leggen.
Kwaliteit van leven speelt vooral een rol, wanneer mensen zelf iets over hun leven te zeggen willen hebben, wanneer ze dit zelfs als onvoldoende ervaren en wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een wens tot euthanasie. Ook speelt kwaliteit van leven een rol wanneer een besluit genomen moet worden over dure zorg; hoeveel mag zorg kosten in relatie tot extra maanden kwaliteit van leven.

Nadenken over het welzijn van de ander (mens en/of dier) lijkt dus duidelijk gerelateerd aan een meer of mindere mate van verantwoordelijkheid voor de ander. Kwaliteit van leven lijkt vooral samen te hangen met de waardering van het leven dat er geleden wordt (ongeacht welzijn). De wereld gezondheidsorganisatie herkent verschillende domeinen die allen deel zijn aan kwaliteit van leven. In deze vorm lijkt het concept van kwaliteit van leven ook gebruikt te worden om te beoordelen wat de (financiële) waarde van iemands leven is, in het bijzonder de waarde van het leven van de ander. Het wordt geobjectiveerd. Het gaat dan om fysiologische gezondheid, psychologische gezondheid, mate van onafhankelijkheid, sociale relaties, omgeving (waaronder vrijheid, fysische veiligheid, thuissituatie en transportmogelijkheden) en persoonlijke overtuigingen en geloof. Een van de aspecten die hierbij een rol spelen ligt besloten in de vraag: hoe beleeft en/of ervaart de persoon zelf zijn leven. Deze vraag doet recht aan het fenomeen dat mensen in gelijksoortige omstandigheden (waaronder, in dit geval, ook hun eigen fysieke toestand valt) hun leven heel anders kunnen waarderen.

Ik wil dan ook een onderscheid maken tussen welzijn en kwaliteit van leven, juist vanwege de persoonlijke beleving. Laat ik maar als volgt formuleren: welzijn is de meting van buiten, en idealiter zo multidimensionaal mogelijk. De kwaliteit van leven draait om de vraag hoe iemand zelf zijn leven waardeert. Waarbij het reëel is dat er een correlatie bestaat tussen een slechte staat van welzijn en een slechte kwaliteit van leven, maar heel zeker is dat niet. Of anders geformuleerd: De kans is aanwezig dat leven onder slechte welzijnsomstandigheden samen gaat met een slechte kwaliteit van leven, maar dat hoeft dus niet.

De optimale situatie

Wanneer we spreken over dierenwelzijn, dan is men al gauw op zoek naar dat wat nodig is voor de goede of nog beter zelfs de ideale situatie. We hebben misschien wat in te halen. Mede dankzij Descartes werd het lichaam en de lichamelijkheid teruggebracht tot een functionaliteit en de rede maakte het leven van de mens uniek. Dieren kenden alleen maar de functionaliteit van het lichaam en geen denkend en/of emotioneel leven. Hierdoor kon (en mocht) de mens alles met het dier doen. Hier is een praktijk uit ontstaan waarin dieren weldegelijk in hun welzijn worden aangetast, zeker nu blijkt dat dieren wel een redelijk en emotioneel leven hebben. Bentham schreef al ‘het is niet de vraag of dieren kunnen denken, het is de vraag of ze kunnen lijden’. Als een dier kan lijden, dan heeft het recht op een leven zonder leed, of toch op z’n minst een leven met zo min mogelijk leed. Sindsdien is er veel onderzoek gedaan naar het emotionele en rationele bestaan van dieren en wordt steeds meer aangenomen dat dieren kunnen denken (oorzaak en gevolg relaties leggen) en verwachtingen hebben.

Binnen het denken over dierenwelzijn staat aan de ene kant van het spectrum het optimale welzijn en aan de andere kant de ontkenning van de noodzaak om voor het welzijn te moeten zorgen. Waarschijnlijk houden deze twee elkaar ook goed bezig. Een ander perspectief creëert een ander spectrum, te weten enerzijds: dieren hebben recht op een zo natuurlijk mogelijke situatie en staan nooit en te nimmer ten dienste van de mens, en anderzijds: dieren worden nu eenmaal door de mens gebruikt, probeer het leven voor dieren zo goed mogelijk te laten zijn, waarbij hun leven zich kenmerkt door een bestaan in een gedomesticeerde omgeving. Kosten en baten spelen hierbij een belangrijke rol. Hulpmiddelen kunnen dan ook gewoon worden ingezet en beperkingen horen erbij. Een hond die met een keizersnede moet worden geboren, omdat zijn kop te groot is voor het geboortekanaal van de teef, is dus in de ogen van de één, wel een substantieel welzijnsprobleem, voor de ander niet. Een adequate leefomgeving is dus een leefomgeving die een hoog welzijn weet te realiseren, terwijl het dier onder niet-aangepaste omstandigheden onmiskenbaar zou lijden.

Wanneer we aan de kant van het optimale gaan zitten, dan zou dat de volgende vraag kunnen oproepen, een vraag die zowel voor mens als voor dier opgaat. Leidt een optimaal welzijn tot een beter leven, in de betekenis van kwaliteit van leven? Veel mensen weten dat niet alles wat ze doen goed voor ze is. Ook menig dier heeft een voorkeur voor ongezond eten. Het bekendste voorbeeld is misschien wel de kat, die een schoteltje slagroom niet kan weerstaan. En als het aan de hond ligt, dan eet hij heel de dag door en veel meer dan goed voor hem is. Hier spelen eigenlijk twee dingen een rol, 1) weten wat niet goed is voor het welzijn en 2) het fenomeen dat het kennelijk voor menigeen moeilijk is om een verleiding te weerstaan. Het weerstand bieden tegen een verleiding speelt kennelijk ook een rol in de beleving van de situatie. Het genot zal ook een rol spelen, wanneer iets lekker is. De trots om de verleiding te weerstaan heeft ook weer zijn impact. Wellicht speelt dan ook de keuzevrijheid mee. Wanneer het goede welzijn een gegeven is, in hoeverre hebben we dan als mens nog de keuze om zelf te kiezen voor het één of het ander?

Uiteraard weten we niet zo goed wat het optimale is. Zelfs bij dieren komen we daar niet zo goed uit. Hoeveel bewegingsvrijheid heeft een varken nodig? Hoe vaak moet een hond naar buiten? Hoelang moet met hem gespeeld worden? Is het beter voor de hond als hij een hond als speelkameraadje heeft, of zijn we als gezin goed genoeg? Er zijn grote individuele verschillen en dit geldt natuurlijk net zo goed voor de mens. Zowel een mens als een dier zijn een optelsom van delen, waarbij het geheel meer is dan de delen apart. Dat wat nodig is voor goed welzijn kan dus ook tussen mensen erg verschillen. Bij dieren hebben we het er dan over dat de juiste leefomgeving mede beïnvloedt wordt door genen, door socialisatie en door habituatie. Is zo’n zelfde kader ook bij de mens aanwezig?

Stel dus, dat we het optimale welzijn zouden kunnen bepalen voor een individuele mens, levert een leven in een dergelijke situatie dan ook de hoogste kwaliteit van leven op? Deze vraag gaat dus over de relatie tussen welzijn en kwaliteit van leven. Is er een relatie? Is er sprake van een correlatie? Zijn het wellicht twee totaal verschillende perspectieven waarmee we naar het leven van een individu kunnen kijken?

Welzijn en stress

Bij dieren is er veel onderzoek gedaan naar de invloed van stress op het welzijn van het dier. Ze hebben hierbij moeten constateren dat er fysiologisch gezien weinig verschil is tussen negatieve stress en een positieve verhoogde activiteit. Vooralsnog lijkt het verschil te zitten in het gevoel van controle en de mate van voorspelbaarheid. Als het gevoel van controle en/of de mate van voorspelbaarheid hoog zijn, dan verloopt het fysiologisch proces van herstel, sneller dan wanneer het gevoel van controle en/of de voorspelbaarheid laag is.

Wonderlijk genoeg lijken we, en misschien zit ik er helemaal naast, bij de mens weinig te doen met deze wetenschap. Heel wat welzijn wordt aangetast bij de mens door stress die gepaard gaat met een lage mate van voorspelbaarheid en/of controleerbaarheid. Je zou kunnen zeggen dat de het denken over de balans tussen privé en werk, misschien wel over de verschillende vormen van stress gaat, of misschien - in de verte - over het herstel van stress, maar echt duidelijk is het niet. Veel mensen ervaren hun leven als druk, maar er wordt dan weinig onderscheid gemaakt tussen belasting waarna het goed herstellen is, en belasting waarvan we slechts langzaam herstellen.

De stress die slecht herstelt, dus die waarvan de controle en/of de voorspelbaarheid laag is, leidt bij dieren tot symptomen die moeilijk te observeren zijn, maar waardoor het dier wel vatbaarder wordt voor ziekte (het immuunsysteem wordt aangetast) en inteert op zijn (voedsel) reserves in zijn lichaam. Ogenschijnlijk is er niets aan de hand. Chronische stress, die niet veel hoeft te zijn, maar wel langdurig is, wordt beschouwd als een aantasting van het welzijn van het dier. Welke plek heeft stress bij de mens als we spreken over welzijn? Vaak ervaart de mens chronische stress weldegelijk als een vermindering van de kwaliteit van leven, terwijl kortdurende stress wel als vervelend maar niet als een welzijns-issue wordt ervaren. Het is bijzonder dat de positieve aanzet tot activiteit (voorspelbaar en controleerbaar) goed voor mens en dier is, en dat dit juist het welzijn verhoogd (mits ook dan hersteltijd in acht genomen wordt).

Aanleg en ervaringen

De socialisatie en habituatie bij het dier zijn van invloed op de manier waarop het dier zijn leefomgeving beleeft en ervaart. Je zou kunnen zeggen dat aanleg, leren en gewenning leiden tot een leefsituatie waarin iemand zich goed voelt. Een kind dat in de drukte van de stad opgroeit en die drukte als normaal beschouwd zal naar alle waarschijnlijkheid zich beter voelen in de stad dan er buiten. Honden die als puppy onvoldoende in aanraking komen met mensen, blijven gedragsproblemen vertonen in relatie met mensen, omdat ze niet weten hoe ze met die mensen om moeten gaan. De aanwezigheid van mensen leidt dan tot stress. Voor dieren, zeker voor huisdieren, speelt die socialisatie een belangrijke rol in het uiteindelijke welzijn van het dier. Als het dier op het juiste moment gewend raakt aan allerlei huiselijke dingen, dan zal het deze later niet als stressvol (negatief) beschouwen.

Vanuit deze ervaring komt een individu dus ook tot verschillende eisen voor welzijn. Iemand die gewend is dagelijks het nieuws en de actualiteiten te volgen en te bespreken stelt andere eisen aan zijn welzijn en kwaliteit van leven dan iemand die graag naar sportwedstrijden kijkt. Je zou dit natuurlijk kunnen vangen onder ‘geloof en persoonlijke overtuigingen’, maar de vraag is of er dan wel recht gedaan wordt aan wat bij dieren socialisatie en habituatie wordt genoemd. Een mens kan allerlei gewoontes hebben, die wanneer ze verbroken worden tot een gevoel van discomfort kunnen leiden, te denken valt aan eetgewoontes, dag- en nachtritme, muziekvoorkeuren, hobbies en tijdverdrijf. In hoeverre spelen deze zaken een rol wanneer we kijken naar welzijn en kwaliteit van leven als een mens wordt toevertrouwd aan de zorg door een ander in een instelling? Op deze manier kan dus een grote discrepantie ontstaan tussen fysieke leefomgeving en de beleving van die omgeving.

Filosofen over welzijn en kwaliteit van leven

Kun je welzijn en kwaliteit van leven vergelijken met ‘het goede leven’? Is een goed leven (in de betekenis van levenskunst) ook een leven met een goede kwaliteit? Mill, als utilitarisme (het grootste goed voor de grootste groep) heeft een prachtig citaat nagelaten over een varkentje, een gek en Socrates: Liever een ongelukkige mens dan een gelukkig varkentje, liever een ongelukkige Socrates dan een gelukkige gek. Geluk en kwaliteit lijken dan niet samen te vallen. Voor Mill is het belangrijk dat je je als mens ontwikkelt en deze ontwikkeling gaat gepaard met twijfels, inspanningen en tegenslagen.
Bij Nietzsche komen we een soortgelijke oefening tegen. Hij heeft het over rijkdom: het kunnen dragen van tegenslagen in het leven, niet alleen financieel maar ook emotioneel. Dingen waar je niet van dood gaat maken je sterker.

Peter Bieri lijkt echter een hele andere vraag te stellen, te weten: wil ik een mens zijn die ongelukkig is met zijn leven. Hij ziet de menselijke mogelijkheid om dit gevoel van ongeluk te veranderen. Het is overigens niet helemaal duidelijk of we dit tot het uiterste kunnen doorvoeren. Bij iedere keuze die we maken kunnen we de vraag stellen of we ons met die keuze kunnen identificeren, maar als iets heel vervelends je overkomt in hoeverre kun je je dan nog identificeren met de persoon. Je kunt je wel afvragen hoe je vindt dat je op zo’n gebeurtenis zou moeten / willen reageren en wat nodig is om dat te doen. Kun je je eigen kwaliteit van leven beïnvloeden? En zo ja, hoe doe je dat?
Comments

Begeerte, wil en verlangen

Filos stond in het teken van de begeerte, de wil en het verlangen. Via drie verschillende filosofische ideeën kregen we inzicht in het fenomeen dat we als mens lijden. Tegelijkertijd kregen we drie adviezen om hier mee om te gaan. Overigens is het maar de vraag of we het leed kunnen opheffen, of misschien moet je eerst het antwoord vinden op de vraag of je het wel wil opheffen. Ook hier krijgen we verschillende antwoorden op.

De filosofen die ons vandaag op weg hielpen waren: Schopenhauer, Nietzsche en Girard.

De samenvatting staat in een document. Deze kun je hier downloaden: begeerte, wil verlangen.
Comments

Nihilisme

De onderwerpen die ter tafel zijn gekomen en waaruit we het onderwerp voor deze avond gekozen hebben, zijn de volgende:
Nihilisme als poort naar de vrijheid
Democratie
Spinoza was zijn tijd ver vooruit - inleiding in zijn denken
Is empathie een (filosofische) deugd
Is er een link tussen filosofie en psychiatrie - bv. is een stoïcijnse levenskunst heilzame bij specifieke psychiatrische aandoeningen?
Filosofische perspectieven op euthanasie bij psychiatrische patiënten.

We hebben gekozen voor “Nihilisme als poort naar de vrijheid”

Nihilisme beschouwen we o.a. in het perspectief van deugdenleer: Komt de deugd van God of van onszelf? Wat wil het zeggen als Nietzsche zegt “god is dood”?

Een korte introductie:
Nihilisme … het begin van de vrijheid???

Als goed niet bestaat, is alles toegestaan, zo vreesde de 19e-eeuwse schrijver Dostojevski.
Het nihilisme betekent niet het einde, maar juist het begin van de echte moraal, aldus Nietzsche.

Hebben we een opperwezen nodig dat garant staat voor onze moraal? Wie zegt ons dan wat goed en wat kwaad is? Vinden we voldoende houvast bij onszelf of vindt iedereen zijn/haar eigen houvast uit? Kunnen we dan nog spreken over gezamenlijke waarden en normen? Of leidt dit tot groter individualisme en verval? (geen waarden meer, geen betekenis, niets=nihil)

Of bestaat er niet alleen pessimistische kant, zoals hierboven is weergegeven, maar ook een optimistische. Als de hogere waarden niet van een opperwezen komen dan moeten we die zelf uitvinden en ligt daar niet een geweldige uitdaging? En in hoeverre kunnen we daarin slagen? Of lukt het de mensheid niet om tot een hogere waarheid te komen en gezamenlijke waarden en normen, die door de hele mensheid zullen worden omarmd? Hoe ziet onze toekomst - in dit verlengde - eruit?

Er komen al meteen een heleboel vragen ter tafel:
Komen de deugden eigenlijk wel van God of zijn ze toch van onszelf (en hebben ze wellicht in het verleden een goddelijke oorsprong toegewezen gekregen)?
Hebben waarden een eeuwige waarde? Bestaat er wel zoiets als een natuurrecht? Zijn waarden (niet) afhankelijk van het moment en dus cultuurafhankelijk?
Is het de religie die mensen in toom houdt? of is het religieuze (slechts) een hulpmiddel?
Kunnen waarden botsen, zelfs als van besloten liggen binnen een religie? Religies botsen ook. Het lijkt er toch wel op dat ook waarden binnen één religie kunnen botsen, hoe kan het anders dat mensen met een geloof dat draait om naastenliefde en waarin geldt ‘gij zult niet doden’ komen tot het doden van de ander uit naam van datzelfde geloof?
Is er een essentieel verschil tussen: god leidt (religie) de mens leidt (humanisme)?

Het grote voordeel van de religie (het aanhangen van een geloof) is dat je als individuele mens niet zelf - inhoudelijk - hoeft na te denken over het goede (en het kwade). Goed en kwaad zijn als het ware verankerd in de inhoud van het geloof. De regels betreffende wat te doen (en wat te laten) liggen vast en worden in de traditie overgeleverd. Het grote nadeel hiervan is dat je er niet zelf over mag nadenken. Andere gedachten en ideeën worden niet geapprecieerd. Hierdoor kunnen eenvoudig schuldgevoelens of boosheid ontstaan bij persoonlijke dilemma’s of conflicterende waarden. Doordat het in het systeem verankerd ligt, is kritiek ook niet mogelijk; het is niet mogelijk om met het systeem in gesprek te gaan.

Stelling: Zonder religieuze waarden is het leven hopeloos.

Het zijn niet zo zeer de waarden - die betrekking hebben op goed en fout (morele vraagstukken) - die bepalen of het leven hopeloos is, maar wel het antwoord op de vraag ‘waartoe zijt gij op aard?’. In heel wat religies en levensovertuigingen ligt een antwoord besloten op de vraag wat de zin van het leven is. Het vinden van levenszin - zin in het leven - is een persoonlijke opgave wanneer het antwoord niet besloten ligt in een (religieuze) traditie. Het feit dat mensen hier zelf antwoord op moeten vinden, maakt het leven zelf nog niet hopeloos, hoewel dit wel zo ervaren zou kunnen worden door mensen, juist op moment dat ze met de vraag naar de zin van het leven geconfronteerd worden.
Toch blijft de vraag bestaan of een antwoord naar de zin van het leven zonder ‘ultiem’ doel eigenlijk wel kan. Kun je levenszin vinden in ‘Darwin’, wetenschap, hedonisme, etc. en verwordt levenszin dan tot iets wat volstrekt willekeurig is, waardoor het elke waarde (waarheid) verliest?

Ligt het antwoord op de vraag ‘wat is de zin van het leven’ de opvoeding en de verwachtingen die we in onze jeugd mee-krijgen.En ben je als mens in staat om boven die verwachtingen en opvoeding uit te stijgen? Alice Miller onderzoekt in haar werk hoe kinderen zichzelf verliezen in de verwachtingen van de ouders en hier als het ware getraumatiseerd uit komen. Is het zoeken naar de eigen levenszin dan niet een illusie?
Kun je door een slechte jeugd afgesneden worden van levenszin? Deze vraag roept een polarisering op: de mens is zelfverantwoordelijk en kan zelfs zijn eigen geschiedenis - bijv. door herinterpretatie - zelf schrijven (de pragmatisten) komt tegenover het uitgangspunt te staan dat de mens getekend wordt door opvoeding, verwachtingen en onderwijs en dat het zo goed als onmogelijk is om zich daaraan te onttrekken (als het blad eenmaal beschreven is, dan kun je het niet meer uitgummen). Ook komt de vraag naar nature en nurture om de hoek kijken. Is de manier van omgaan met de vraag ‘wat is de zin van het leven’ en het geven van levenszin iets wat in de genen zit, kan de ene mens wel levenszin geven en de andere mens niet, of geeft de ene makkelijker zin dan de ander?

zowel nature versus nuture als pragmatisme versus het beschreven blad, plaatsen de vraag omtrent de zin van het leven (en waar komt het antwoord vandaan) in een zoektocht die ‘buiten’ de individuele mens lijkt te liggen. Wanneer je als mens getekend wordt door opvoeding en verwachtingen, wordt dan de leefomgeving van het kind niet erg dominant en krijgt deze niet een hoge mate van verantwoordelijkheid? Maar ook ‘is niet iedere mens dan per definitie slachtoffer van zijn jeugd (ook als deze goed uit valt) en valt niets tot de volwassen mens te herleiden? Welke morele verplichtingen roept dat op? En leidt dat niet tot nieuwe (traumatische) ervaringen?
En als je wel zelf het heft in eigen hand kunt nemen? Kan iedereen dat of moet dat weer geleerd worden? Maar als het geleerd moet worden, dan is het toch weer afhankelijk van dat wat we in opvoeding en onderwijs geleerd worden.
Als het nature is (in tegenstelling tot nurture) dan heeft een individuele mens gewoon pech of geluk (allebei dat gaat niet). Maar dan hoeven we niets te doen en is er ook geen morele verplichting tot zorg, hoogstens bijstand bij de ongelukkigen.

Deze gedachten gelden overigens net zo goed over de omgang met waarden en levenszin vanuit een religie of traditie. Misschien levert dit voor een andere groep mensen ‘problemen’ op, maar de vraagstukken blijven bestaan. Het valt helaas niet te onderzoeken wat oorzaak en gevolg is, er zijn simpelweg te veel variabelen en de polarisatie an zich levert niet veel op. Het is hoogstens interessant om door te vragen ‘als dat waar is, wat betekent dat dan voor onze opvoeding, onderwijs en omgang met elkaar en met onze kinderen (ethiek)?

Een gevleugelde uitspraak is “het leven is wat je er zelf van maakt”. Is deze uitspraak uit wanhoop gedreven of vanuit vreugde? Beide is mogelijk. Maar kun je ook de positie innemen ‘ik maak er niets van en neem het zoals het op mij af komt’? Als je de zin niet krijgt vanuit een traditie, ben je dan als mens verplicht om zelf zingevend bezig te zijn? In ieder geval lijkt hier een waarde uit voort te vloeien nl. dat iedere mens recht heeft op de vrijheid om zelf zin te geven, om zelf waarden toe te kennen aan het leven. Daarmee ligt de waarde voor ‘het respect voor de ander als zingevend en waardegevend wezen’ ingebakken. Toch blijkt dat in de praktijk niet zo te zijn. Heel wat mensen leggen hun eigen waarden en waarden aan de ander op, al of niet uit naam van een religie. We nemen elkaar maar wat graag de maat, al of niet met geweld ondersteund met behulp van bijvoorbeeld een wapen of sociale uitsluiting. De zin, levenszin en waarden van de een matchen niet altijd met die van een ander?

Dit roept de vraag op naar universele waarden? is zoiets mogelijk? Kant heeft daar ook over nagedacht en politiek kennen we de universele rechten van de mens, waarin natuurlijk ook waarden besloten liggen. Maar toch is het wel verwonderlijk, om vanuit een nihilisme op het gebied van waarde en levenszin en dit zelfs als vrijheid te duiden te komen tot een vraag naar universele waarden, met het oog op vrijheid en veiligheid.

Welke mens is heeft de grootste vrijheid? Hij die waarden en levenszin krijgt of hij die ze zelf moet vinden? Het kind dat weet hoe laat het thuis moet zijn (als de lantaarns aangaan) speelt in meer vrijheid dan het kind dat zich steeds afvraagt (en dat gaat controleren) ‘moet ik al naar huis?’. Geeft het hebben van een antwoord op de vraag ‘wat is d zin van het leven / mijn leven?’ meer levensvrijheid dan het regelmatig geconfronteerd worden met de vraag ‘wat is de zin van mijn leven, waar doe ik het allemaal voor?’.
Een belangrijk aspect hierin is het fenomeen ‘angst’. De ene mens ervaart de angst bij de vraag ‘wat is de zin va het leven’, de ander ervaart de angst bij het bevragen van de voorgeschreven ‘regels’. Angst lijkt dan de grond van de ervaren vrijheid; vrijheid als bevrijdt zijn van angst. Is autonomie dan te omschrijven als in vrijheid keuzes maken of als zonder angst keuzes maken? Het is dus moeilijk om te stellen of nihilisme vrijheid oplevert. Het kan net zo goed onvrijheid en angst opleveren.

Maar toch een zekere voorspelbaarheid geeft iedereen een veilig gevoel. Het spelletje in de etnomethodolgie leert dat we het maar wat fijn vinden als iedereen zich aan bepaalde - algemene regels houdt -. Ga maar eens a-typisch reageren op je omgeving, als snel voelt iedereen zich niet meer op zijn gemak. Het feit dat we al een onderscheid kunnen maken tussen typisch reageren en a-typisch reageren zegt al genoeg. De sociale context waarin je van alles deelt lijkt een (menselijke) noodzakelijkheid. Wat blijft er over als deze verdwijnt? Kun je dan als mens nog wel bestaan, leven en zin geven aan het leven? We kennen nog wel het fenomeen kluizenaar, maar dan laten we de hele menselijke context verdwijnen, maar deze wordt niet geëlimineerd, hij blijft op de achtergrond aanwezig en functioneert ook als zodanig. Volgen Hannah Arendt kun je als mens niet bestaan zonder andere mensen, omdat je in je menszijn - door te handelen - bevestigd wordt door de openbaring van je handeling tussen anderen. Bieri lijkt wat meer deze specifieke context te ‘benoemen’ wanneer hij het erover heeft dat in een vacuüm niets te kiezen valt. Maar vrijheid als keuzevrijheid en keuzemogelijkheden roept vragen op omtrent de willekeurigheid, als alles even willekeurig is, dan is het leven dat ook.

Comments

Nietzsche in hoofdlijnen

Een van de deelnemers van Filos stelde de vraag of deze avond de idee van Nietzsche uitgelegd kon worden. Hij had het boek “Nietzsches tranen” van I.D. Yalom gelezen en vond het moeilijk om de idee van Nietzsche te doorgronden. Zijn vraag werd ondersteund door de meerderheid van de overige deelnemers en zog startte de uitleg. Zoals beloofd is op deze plek op de website het gedachtengoed van Nietzsche in een notendop terug te vinden.

Laat ik maar bij even bij Darwin en de evolutie-theorie beginnen. Voor mij is dat altijd een belangrijke kapstok. Het functioneren van de mens heeft een overlevingsdrang in zich, van het individu en van de soort. Dit is niet zo zeer reactief, zoals we dit in de evolutie-theorie kennen maar eerder pro-actief. Deze drang om te leven kan een mens niet zelf doorgronden, dat ligt besloten in zijn bestaan. De mens is constant bezig om te heersen over het niet-zijn. Dit is wat Nietzsche verstaat onder zijn Wille zur Macht. De mens probeert het niet bestaan te overwinnen. Het leven wil geleefd worden, een mens neemt geen genoegen met de consolidatie van dat wat is.

Sloterdijk beschrijft deze wil tot leven, als een gevoel van trots en eer. Zodra we ons miskent voelen, de indruk hebben dat de ander ons niet ziet staan worden we gegrepen door eer en trots. De wijze waarop dit zich openbaart is volgens Nietzsche in twee hoofdlijnen op te delen, namelijk de manier van de meester (Übermensch of leider) of de wijze van de slaaf (de geslagenen of de lijder). Waarbij de eerste het heft in eigen hand neemt, niet leidt maar onverschrokken voort gaat en de tweede zich ziet als slachtoffer van het gebeuren en/of de ander.

De hier na volgende teksten, beschrijven de attitude / het zijn van de meester.

“wat mij niet dood, maakt mij sterker”

De rijkdom van een mens kan worden afgemeten aan zijn vermogen om de benadeling die hij ondervindt te kunnen dragen zonder te lijden. Uiteindelijk leidt dit tot de zelfopheffing van de gerechtigheid omdat de mens ieder leed dat hem wordt aangedaan niet als leed ervaart. “wat heb ik met die parasieten te maken?”
De ware aristocraat ervaart geen pijn en leed.


Nietzsche constateert dat een ressentiment aan de basis ligt van de slaven-moraal. We leven in een wereld - aldus Nietzsche - waarin leiden tot norm verheven is en waarin de niet-lijdende opdraaien voor de consequenties van het lijden of de kosten van diegene die lijden. Lijden is goed. Niet zelden krijgen de niet-lijdende de schuld van het lijden van de lijdenden “mensen aan wie het leed voorbij gaat moeten wel de veroorzaker zijn van het leed”. Een belangrijke achterliggende gedachten hierbij is dat leed gelijkelijk verdeeld is over alle mensen. Het is dan ook logisch om de niet-lijdende (zij die we als veroorzaker zijn van het leed hebben aangewezen) leed te berokken omdat dan de balans weer hersteld is.

Sociaal-maatschappelijk gezien ‘knokken’ meester en slaaf om het voortbestaan van de hun passende moraal: wat wordt het meest gewaardeerd: de zelfredzaamheid of de zorg voor de ander / de solidariteit? In iedere samenleving heeft een van deze twee de overhand. De moraal heeft zo weinig van doen met dat wat goed en juist is, maar ze beschrijft de geldende machtsverhouding waaronder het leven ontstaat. Of met andere woorden: wat een leven het leven waard maakt. En tot Nietzsches verontwaardiging, ten minste zo interpreteer ik dat, is in zijn tijd de zorg voor de ander, heel wat waardevoller dan de zelfredzaamheid. Heeft de slaaf meer in de melk te brokkelen dan de meester. Is de meester schuldig aan het ongeluk van de slaaf.

Nietzsche haalt hiermee het denken over de moraal overhoop. Hij stelt dat het wel degelijk aangeleerd gedrag is, dat dat wat je juist vinden een cultuur is en deze cultuur het voortbestaan van de mens dient. De slaven wensen een moraal van ingetogenheid, incasseringsvermogen, mededogen, hulpvaardigheid, etc. De meesters willen echter een strijdvaardige en competitieve cultuur waarbij zelfredzaamheid, onafhankelijkheid, strijdbaarheid, etc. leidraden zijn voor het menselijk gedrag.

Wat is nu het goede? En wat is nu waar?

In Jenseits von Gut en Böse (voorbij goed en kwaad) schrijft Nietzsche: “het is onwaarschijnlijk dat u zich niet vergist, maar waarom ook met alle geweld waarheid?” [16 regel 25: “Mein Herr, wird der Philosophe vielleicht ihm zu verstehen geben, es is unwahrscheinlich, dass Sie sich nicht irren: aber warum auch durchaus Wahrheit?”]

“Wie het gevoel heeft ‘ik ben in het bezit van de waarheid’, hoeveel bezittingen zal hij niet overboord zetten, om ‘boven’ te blijven, - dat wil zeggen boven de anderen, die de waarheid ontberen!” Waarheid is volgens Nietzsche dat wat bijdraagt aan onze macht. Hoe graag willen we niet de ander verrijken met de waarheid die wij gevonden hebben, overtuigd als we zijn dat onze waarheid waar is en tot een beter leven leidt. Dat gun je toch iedereen? Overtuigd zijn van de waarheid, zet aan tot het verkondigen! En zo strijden we om onze waarheid tot algemene waarheid te maken.

Nietzsche, de filosoof met de hamer, hij leert ons om alles, en dan ook echt alles, ter discussie te stellen.

Comments

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en geanonimiseerd.