Van samen denken word je wijzer

Welzijn en kwaliteit van leven

Welzijn en Kwaliteit van leven

Er wordt over welzijn en kwaliteit van leven gesproken in twee, ogenschijnlijk, verschillende werelden: bij mensen en bij dieren. Bij mensen ontstaat de aandacht voor welzijn en kwaliteit van leven vooral bij ziekte en ouderdom, bij dieren is er aandacht voor zodra dieren afhankelijk zijn van de mens, waaronder in de veeteelt, als huisdier en in dierentuinen.

De parellel met de mens is overigens snel getrokken: het welzijn wordt ook dan belangrijk als een mens wordt toevertrouwd aan de zorg van een ander. We bekommeren ons doorgaans niet om het welzijn, of de kwaliteit van leven, wanneer mensen zelfstandig hun bestaan vorm geven. Misschien is ook de ARBO-wetgeving een vorm van welzijnszorg. Welzijn wordt belangrijk zodra iemand niet (meer) geheel zelf verantwoordelijk is en/of kan zijn voor zijn eigen leefomgeving. We zoeken een houvast om op verantwoorde wijze voldoende zorg aan de dag te leggen.
Kwaliteit van leven speelt vooral een rol, wanneer mensen zelf iets over hun leven te zeggen willen hebben, wanneer ze dit zelfs als onvoldoende ervaren en wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een wens tot euthanasie. Ook speelt kwaliteit van leven een rol wanneer een besluit genomen moet worden over dure zorg; hoeveel mag zorg kosten in relatie tot extra maanden kwaliteit van leven.

Nadenken over het welzijn van de ander (mens en/of dier) lijkt dus duidelijk gerelateerd aan een meer of mindere mate van verantwoordelijkheid voor de ander. Kwaliteit van leven lijkt vooral samen te hangen met de waardering van het leven dat er geleden wordt (ongeacht welzijn). De wereld gezondheidsorganisatie herkent verschillende domeinen die allen deel zijn aan kwaliteit van leven. In deze vorm lijkt het concept van kwaliteit van leven ook gebruikt te worden om te beoordelen wat de (financiële) waarde van iemands leven is, in het bijzonder de waarde van het leven van de ander. Het wordt geobjectiveerd. Het gaat dan om fysiologische gezondheid, psychologische gezondheid, mate van onafhankelijkheid, sociale relaties, omgeving (waaronder vrijheid, fysische veiligheid, thuissituatie en transportmogelijkheden) en persoonlijke overtuigingen en geloof. Een van de aspecten die hierbij een rol spelen ligt besloten in de vraag: hoe beleeft en/of ervaart de persoon zelf zijn leven. Deze vraag doet recht aan het fenomeen dat mensen in gelijksoortige omstandigheden (waaronder, in dit geval, ook hun eigen fysieke toestand valt) hun leven heel anders kunnen waarderen.

Ik wil dan ook een onderscheid maken tussen welzijn en kwaliteit van leven, juist vanwege de persoonlijke beleving. Laat ik maar als volgt formuleren: welzijn is de meting van buiten, en idealiter zo multidimensionaal mogelijk. De kwaliteit van leven draait om de vraag hoe iemand zelf zijn leven waardeert. Waarbij het reëel is dat er een correlatie bestaat tussen een slechte staat van welzijn en een slechte kwaliteit van leven, maar heel zeker is dat niet. Of anders geformuleerd: De kans is aanwezig dat leven onder slechte welzijnsomstandigheden samen gaat met een slechte kwaliteit van leven, maar dat hoeft dus niet.

De optimale situatie

Wanneer we spreken over dierenwelzijn, dan is men al gauw op zoek naar dat wat nodig is voor de goede of nog beter zelfs de ideale situatie. We hebben misschien wat in te halen. Mede dankzij Descartes werd het lichaam en de lichamelijkheid teruggebracht tot een functionaliteit en de rede maakte het leven van de mens uniek. Dieren kenden alleen maar de functionaliteit van het lichaam en geen denkend en/of emotioneel leven. Hierdoor kon (en mocht) de mens alles met het dier doen. Hier is een praktijk uit ontstaan waarin dieren weldegelijk in hun welzijn worden aangetast, zeker nu blijkt dat dieren wel een redelijk en emotioneel leven hebben. Bentham schreef al ‘het is niet de vraag of dieren kunnen denken, het is de vraag of ze kunnen lijden’. Als een dier kan lijden, dan heeft het recht op een leven zonder leed, of toch op z’n minst een leven met zo min mogelijk leed. Sindsdien is er veel onderzoek gedaan naar het emotionele en rationele bestaan van dieren en wordt steeds meer aangenomen dat dieren kunnen denken (oorzaak en gevolg relaties leggen) en verwachtingen hebben.

Binnen het denken over dierenwelzijn staat aan de ene kant van het spectrum het optimale welzijn en aan de andere kant de ontkenning van de noodzaak om voor het welzijn te moeten zorgen. Waarschijnlijk houden deze twee elkaar ook goed bezig. Een ander perspectief creëert een ander spectrum, te weten enerzijds: dieren hebben recht op een zo natuurlijk mogelijke situatie en staan nooit en te nimmer ten dienste van de mens, en anderzijds: dieren worden nu eenmaal door de mens gebruikt, probeer het leven voor dieren zo goed mogelijk te laten zijn, waarbij hun leven zich kenmerkt door een bestaan in een gedomesticeerde omgeving. Kosten en baten spelen hierbij een belangrijke rol. Hulpmiddelen kunnen dan ook gewoon worden ingezet en beperkingen horen erbij. Een hond die met een keizersnede moet worden geboren, omdat zijn kop te groot is voor het geboortekanaal van de teef, is dus in de ogen van de één, wel een substantieel welzijnsprobleem, voor de ander niet. Een adequate leefomgeving is dus een leefomgeving die een hoog welzijn weet te realiseren, terwijl het dier onder niet-aangepaste omstandigheden onmiskenbaar zou lijden.

Wanneer we aan de kant van het optimale gaan zitten, dan zou dat de volgende vraag kunnen oproepen, een vraag die zowel voor mens als voor dier opgaat. Leidt een optimaal welzijn tot een beter leven, in de betekenis van kwaliteit van leven? Veel mensen weten dat niet alles wat ze doen goed voor ze is. Ook menig dier heeft een voorkeur voor ongezond eten. Het bekendste voorbeeld is misschien wel de kat, die een schoteltje slagroom niet kan weerstaan. En als het aan de hond ligt, dan eet hij heel de dag door en veel meer dan goed voor hem is. Hier spelen eigenlijk twee dingen een rol, 1) weten wat niet goed is voor het welzijn en 2) het fenomeen dat het kennelijk voor menigeen moeilijk is om een verleiding te weerstaan. Het weerstand bieden tegen een verleiding speelt kennelijk ook een rol in de beleving van de situatie. Het genot zal ook een rol spelen, wanneer iets lekker is. De trots om de verleiding te weerstaan heeft ook weer zijn impact. Wellicht speelt dan ook de keuzevrijheid mee. Wanneer het goede welzijn een gegeven is, in hoeverre hebben we dan als mens nog de keuze om zelf te kiezen voor het één of het ander?

Uiteraard weten we niet zo goed wat het optimale is. Zelfs bij dieren komen we daar niet zo goed uit. Hoeveel bewegingsvrijheid heeft een varken nodig? Hoe vaak moet een hond naar buiten? Hoelang moet met hem gespeeld worden? Is het beter voor de hond als hij een hond als speelkameraadje heeft, of zijn we als gezin goed genoeg? Er zijn grote individuele verschillen en dit geldt natuurlijk net zo goed voor de mens. Zowel een mens als een dier zijn een optelsom van delen, waarbij het geheel meer is dan de delen apart. Dat wat nodig is voor goed welzijn kan dus ook tussen mensen erg verschillen. Bij dieren hebben we het er dan over dat de juiste leefomgeving mede beïnvloedt wordt door genen, door socialisatie en door habituatie. Is zo’n zelfde kader ook bij de mens aanwezig?

Stel dus, dat we het optimale welzijn zouden kunnen bepalen voor een individuele mens, levert een leven in een dergelijke situatie dan ook de hoogste kwaliteit van leven op? Deze vraag gaat dus over de relatie tussen welzijn en kwaliteit van leven. Is er een relatie? Is er sprake van een correlatie? Zijn het wellicht twee totaal verschillende perspectieven waarmee we naar het leven van een individu kunnen kijken?

Welzijn en stress

Bij dieren is er veel onderzoek gedaan naar de invloed van stress op het welzijn van het dier. Ze hebben hierbij moeten constateren dat er fysiologisch gezien weinig verschil is tussen negatieve stress en een positieve verhoogde activiteit. Vooralsnog lijkt het verschil te zitten in het gevoel van controle en de mate van voorspelbaarheid. Als het gevoel van controle en/of de mate van voorspelbaarheid hoog zijn, dan verloopt het fysiologisch proces van herstel, sneller dan wanneer het gevoel van controle en/of de voorspelbaarheid laag is.

Wonderlijk genoeg lijken we, en misschien zit ik er helemaal naast, bij de mens weinig te doen met deze wetenschap. Heel wat welzijn wordt aangetast bij de mens door stress die gepaard gaat met een lage mate van voorspelbaarheid en/of controleerbaarheid. Je zou kunnen zeggen dat de het denken over de balans tussen privé en werk, misschien wel over de verschillende vormen van stress gaat, of misschien - in de verte - over het herstel van stress, maar echt duidelijk is het niet. Veel mensen ervaren hun leven als druk, maar er wordt dan weinig onderscheid gemaakt tussen belasting waarna het goed herstellen is, en belasting waarvan we slechts langzaam herstellen.

De stress die slecht herstelt, dus die waarvan de controle en/of de voorspelbaarheid laag is, leidt bij dieren tot symptomen die moeilijk te observeren zijn, maar waardoor het dier wel vatbaarder wordt voor ziekte (het immuunsysteem wordt aangetast) en inteert op zijn (voedsel) reserves in zijn lichaam. Ogenschijnlijk is er niets aan de hand. Chronische stress, die niet veel hoeft te zijn, maar wel langdurig is, wordt beschouwd als een aantasting van het welzijn van het dier. Welke plek heeft stress bij de mens als we spreken over welzijn? Vaak ervaart de mens chronische stress weldegelijk als een vermindering van de kwaliteit van leven, terwijl kortdurende stress wel als vervelend maar niet als een welzijns-issue wordt ervaren. Het is bijzonder dat de positieve aanzet tot activiteit (voorspelbaar en controleerbaar) goed voor mens en dier is, en dat dit juist het welzijn verhoogd (mits ook dan hersteltijd in acht genomen wordt).

Aanleg en ervaringen

De socialisatie en habituatie bij het dier zijn van invloed op de manier waarop het dier zijn leefomgeving beleeft en ervaart. Je zou kunnen zeggen dat aanleg, leren en gewenning leiden tot een leefsituatie waarin iemand zich goed voelt. Een kind dat in de drukte van de stad opgroeit en die drukte als normaal beschouwd zal naar alle waarschijnlijkheid zich beter voelen in de stad dan er buiten. Honden die als puppy onvoldoende in aanraking komen met mensen, blijven gedragsproblemen vertonen in relatie met mensen, omdat ze niet weten hoe ze met die mensen om moeten gaan. De aanwezigheid van mensen leidt dan tot stress. Voor dieren, zeker voor huisdieren, speelt die socialisatie een belangrijke rol in het uiteindelijke welzijn van het dier. Als het dier op het juiste moment gewend raakt aan allerlei huiselijke dingen, dan zal het deze later niet als stressvol (negatief) beschouwen.

Vanuit deze ervaring komt een individu dus ook tot verschillende eisen voor welzijn. Iemand die gewend is dagelijks het nieuws en de actualiteiten te volgen en te bespreken stelt andere eisen aan zijn welzijn en kwaliteit van leven dan iemand die graag naar sportwedstrijden kijkt. Je zou dit natuurlijk kunnen vangen onder ‘geloof en persoonlijke overtuigingen’, maar de vraag is of er dan wel recht gedaan wordt aan wat bij dieren socialisatie en habituatie wordt genoemd. Een mens kan allerlei gewoontes hebben, die wanneer ze verbroken worden tot een gevoel van discomfort kunnen leiden, te denken valt aan eetgewoontes, dag- en nachtritme, muziekvoorkeuren, hobbies en tijdverdrijf. In hoeverre spelen deze zaken een rol wanneer we kijken naar welzijn en kwaliteit van leven als een mens wordt toevertrouwd aan de zorg door een ander in een instelling? Op deze manier kan dus een grote discrepantie ontstaan tussen fysieke leefomgeving en de beleving van die omgeving.

Filosofen over welzijn en kwaliteit van leven

Kun je welzijn en kwaliteit van leven vergelijken met ‘het goede leven’? Is een goed leven (in de betekenis van levenskunst) ook een leven met een goede kwaliteit? Mill, als utilitarisme (het grootste goed voor de grootste groep) heeft een prachtig citaat nagelaten over een varkentje, een gek en Socrates: Liever een ongelukkige mens dan een gelukkig varkentje, liever een ongelukkige Socrates dan een gelukkige gek. Geluk en kwaliteit lijken dan niet samen te vallen. Voor Mill is het belangrijk dat je je als mens ontwikkelt en deze ontwikkeling gaat gepaard met twijfels, inspanningen en tegenslagen.
Bij Nietzsche komen we een soortgelijke oefening tegen. Hij heeft het over rijkdom: het kunnen dragen van tegenslagen in het leven, niet alleen financieel maar ook emotioneel. Dingen waar je niet van dood gaat maken je sterker.

Peter Bieri lijkt echter een hele andere vraag te stellen, te weten: wil ik een mens zijn die ongelukkig is met zijn leven. Hij ziet de menselijke mogelijkheid om dit gevoel van ongeluk te veranderen. Het is overigens niet helemaal duidelijk of we dit tot het uiterste kunnen doorvoeren. Bij iedere keuze die we maken kunnen we de vraag stellen of we ons met die keuze kunnen identificeren, maar als iets heel vervelends je overkomt in hoeverre kun je je dan nog identificeren met de persoon. Je kunt je wel afvragen hoe je vindt dat je op zo’n gebeurtenis zou moeten / willen reageren en wat nodig is om dat te doen. Kun je je eigen kwaliteit van leven beïnvloeden? En zo ja, hoe doe je dat?
Comments