filos

Vrijheid

Positieve en negatieve vrijheid.

In de sociale en politieke filosofie wordt een onderscheid gemaakt tussen positieve en negatieve vrijheid. Ze beschrijven allebei een specifieke vorm van vrijheid, die je zou kunnen zien als rivalen:
De negatieve vrijheid gaat over de afwezigheid van beperkingen, tegenwerkingen, grenzen. De associatie met negatief komt voort uit het feit dat de vrijheid vorm krijgt door afwezigheid van dingen. De positieve vrijheid beschrijft de mogelijkheden om te handelen, zodat je zelf je leven in de hand kunt nemen. Het positieve ontstaat door de aanwezigheid van een/de mogelijkheid tot handelen. Volgens Isaiah Berlin liggen hier twee vragen aan ten grondslag:
Negatieve vrijheid: Op welk gebied mag/dient een mens (of een groep mensen) de vrijheid te hebben om zelf te mogen bepalen wat hij doet, zonder dat andere mensen (of een overheid) zich hiermee bemoeien? Het gaat dus eigenlijk om overheid, regels, instanties de bepalen wat wij als mens wel of niet mogen/kunnen doen.
Positieve vrijheid: Wie (of wat) is de belangrijkste factor die bepaalt of van invloed is op wat een mens doet, is of wil? Kennis over verschillende mogelijkheden zou dus meer vrijheid kunnen geven, maar een verslaving zou iedere vrijheid weer aan banden kunnen leggen.

Je zou ook kunnen zeggen dat de negatieve vrijheid gaat over externe factoren die een mens al dan niet beïnvloeden en de positieve vrijheid gaat over interne factoren die het mogelijk maken om als mens iets te doen.

Nu vragen we ons af of die positieve vrijheid niet in hoge mate een illusie is. Waarom zorgt een verslaving voor een grotere vrijheidsbeperking dan onderwijs? Onderwijs stop je immers vol met ideeën die het onmogelijk maken anders te denken. De westerse filosofie en daarmee (ook) het denken in de westerse wetenschap gaat uit van een duaal mensbeeld (lichaam en geest). We zijn hierdoor echter niet in staat om een beeld van de mens te vormen in een volstrekte eenheid. Deze duale manier van denken is o.a. sterk terug te vinden in de medische wereld, waardoor een ziekte als iets louter lichamelijks gezien kan worden, maar waardoor er ook zoiets bestaat als psychosomatische klachten. Als een mens een volstrekte eenheid is, dan zijn deze ziektebeelden op/van de mens onmogelijk.

Met het leren ontstaan dus nieuwe mogelijkheden (vrijheid) maar worden ook mogelijkheden afgesloten. Hetzelfde geldt natuurlijk voor kennis en verantwoordelijkheid.

Het concept van positieve en negatieve vrijheid geeft echter wel een heel mooi spanningsveld weer, zeker wanneer je dit sec. bekijkt als een beperking van buiten (negatieve vrijheid) en waar je als individu je aan probeert te onttrekken aan de ene kant en positieve vrijheid als de mogelijkheid om te doen en laten wat je wil en daarmee dus de vrijheid van en ander beperkt.

Je zou dit echter ook anders kunnen belichten. Als mens wil je deel zijn van een groep, dat is nodig om als individu erkent te worden. Hiertoe hou je je aan de regels en de mores van die groep. Dat beperkt je vrijheid (Dit zou je kunnen zien als negatieve vrijheid). Om je te onderscheiden van de groep breek je ook enigszins met die regels en de mores om zo erkenning te kunnen krijgen als individu. Zo onderscheid je je van de ander. (Dit zou je kunnen zien als positieve vrijheid). Wanneer je zo naar mens en samenleving (gemeenschap) kijkt dan heeft een mens - om te kunnen bestaan (erkent te worden als mens) beide vormen van vrijheid nodig. Het spanningsveld tussen deze twee kan echter voor ieder individu anders liggen. En de manier waarop iemand zijn positieve vrijheid gebruikt ook.

Stelling: Ieder individu kan zich zoveel positieve vrijheid veroorloven als de negatieve vrijheid dat toelaat.

Dit roept gedachten op aan anarchie en tirannie. Zo een teveel aan positie vrijheid anarchie in de hand werken en een teveel aan negatieve vrijheid een tirannieke samenleving in de hand werken? Het lijkt er dus op, dat er een balans nodig is tussen deze twee vormen van vrijheid. Misschien bestaat de positieve vrijheid wel uit de mogelijkheid om je onttrekken aan de negatieve vrijheid? Maar dat lijkt ook wel een beetje op ‘ontduiken’, op onrechtvaardig. De negatieve vrijheid moet toch op een of andere manier een goede samenleving mogelijk maken, waarin rechtvaardigheid en humaniteit een plek hebben. Wanneer mensen zich daar via een positieve vrijheid aan kunnen onttrekken ontstaat er dan niet iets raars?

Toch blijft het wel een heel lastig fenomeen, dat positieve en dat negatieve. Is het niet veelleer een illusie? We worden gevormd door de ideeën die we meekrijgen in opvoeding en onderwijs. En die bepalen grotendeels wie we zijn, wat we doen en de keuzes die maken. We worden in onze vrijheid begrenst door aanwezigheid van de ander maar ook door de samenleving waar we deel van uitmaken. En deels zijn de wetten en de regels waar we aan ondergeschikt zijn ietwat willekeurig. Vrijheid lijkt dan eigenlijk meer een illusie of hoogstens een gedachten-kronkel (gedachten experiment). Als er vrijheid is, waar is die dan te vinden? Ligt die in de mens of juist er buiten? Kunnen we het aanwijzen? Zeker wanneer we dit in het licht plaatsten van Boeddhistische concepten waarin er zelfs vanuit gegaan wordt dat het niet de mens is denkt, maar dat er wordt gedacht. Wie is het dan die denkt? En kun je dan nog wel vrij denken? Of lukt dat sowieso niet?

Het boeddhistische concept creëert vrijheid door onthechting. Ze zoekt de vrijheid door een onderscheid te maken tussen die zaken waar je als mens wel invloed op uit kunt oefenen en die zaken waar je als individu geen invloed op kunt uitoefenen. Het is dan zaak om je volledig los te maken van die zaken waar je geen invloed op uit kunt oefenen. Het enige wat overblijft - en daar ligt dan een beetje vrijheid in - kan dus door het individu beïnvloedt worden en dus verandert worden.

Vrijheid is misschien wel veeleer een gevoel, niet iets dat echt bestaat, maar wel iets wat we als mens kunnen ervaren. Vrijheid ervaren we wanneer we keuzes kunnen maken, wanneer we de indruk hebben dat we ons leven kunnen beïnvloeden. Vrijheid kun je dus pas ervaren als je iets wil. Doordat je iets wil - wat je al dan niet kunt realiseren - voel je je vrij, wanneer je succesvol bent en niet-vrij wanneer je niet-succesvol bent. Als het leven zijn gang gaat ervaar je ook geen vrijheid, maar ook de onvrijheid ervaar je niet.

Vrijheid lijkt eigenlijk zelf ook wel een concept van het denken? Kunnen we eigenlijk wel nadenken over mens en wereld zonder een concept van vrijheid? Ziet de wereld en de mens er anders uit, als we geen idee hebben van vrijheid en onvrijheid (gedetermineerdheid)? Vergelijk de constatering van Nishida dat het denken in Japan tot halverwege de negentiende eeuw maar een karakter kende wat zowel lichaam als geest betekende. Het duale denken - zoals wij dat kennen - was hen helemaal vreemd.

Zou je kunnen zeggen dat vrijheid in de geest / ziel zit en de onvrijheid in het lichaam? Er zijn verschillende westers filosofen, waaronder Socrates die dat zo verbeeld. Het lichaam houdt de mens gevangen, de geest maakt de mens vrij. De geest wordt wel beperkt door het lichaam, bijvoorbeeld door de lust (honger, seksualiteit, etc). Het is dus ook niet erg om te sterven, zo concludeert Socrates, omdat hij dan eindelijk van lichaam bevrijdt wordt en dus helemaal vrij is om te denken en de ware kennis te benaderen. In de westerse filosofie is hier veel op voortgeborduurd.

Is vrijheid van denken het zelfde als het hebben van waanideeën? Hoe moet je omgaan met mensen die waanideeën hebben? Zijn we als mens vrij om waanideeën te hebben, of kunnen we deze - ten guste van onze vrijheid - maar beter afleggen? En hoe moet je dan met een ander omgaan die waanideeën heeft? Moet je deze hiervan bevrijden? Vrijheid van denken veronderstelt ook de vrijheid tot het hebben van waanideeën. Maar als deze waanideeën schadelijk zijn voor mens en samenleving? Je komt dan al gauw uit bij de essay over tolerantie van John Locke. Hij gaat er vanuit dat iedere mens de vrijheid heeft om te denken wat hij wil, maar in het handelen wordt een mens beperkt doordat hij zich aan wetten en regels dient te houden. Een mens kan dus nooit worden aangesproken op wat hij denkt, maar alleen maar op zijn daden - dat wat hij doet. Wetten zijn dan gedragsregels met een grote tijdelijk waarde, hoewel ze wel lang stand kunnen houden. Je mag als mens denken wat je wil betreffende verschillende vormen van seksualiteit, maar in onze wet leggen wij vast welke vormen van seksualiteit zijn toegestaan. En op dit moment is het wettelijk toegestaan om een seksuele relatie aan te gaan met mensen van gelijke sekse en/of met mensen van de andere sekse. Overigens zag onze wet hieromtrent er 100 jaar geleden anders uit. Wettelijke is er ook geen grens aan de hoeveel seksuele relaties die we als mens aangaan. We gaan echter niet akkoord met een seksuele relatie met een minderjarige. Het lijkt er zelfs op, dat we het denken hierover al strafbaar vinden. Waarbij ook weer aan te tekenen valt dat we tegenwoordig deze leeftijdgrens anders leggen dan 40 a 50 jaar geleden en de ernst van de misdaad wordt nu ook anders gewaardeerd dan toen. Ook weten we wettelijk nog niet zo goed raad met betaalde seksuele relaties. Het denken van ieder individu hieromtrent is vrij, maar ons handelen wordt gestuurd door de wetten en regels. Discriminatie of aanzetten tot haat zijn dus uitgesloten, omdat we dat wettelijk niet toestaan. Vraag is wel wanneer het uitspreken van je gedachten (vrijheid van meningsuiting) over gaat in aanzetten tot haat.

Nog even een kleine vraag: kun je een mens indoctrineren met de idee dat hij vrij is?
Comments