filos

2017

De Trilosoof

Bij aanvang van deze vrije avond werden de volgende onderwerpen ter tafel gebracht. Indien er (kranten)artikelen aan ten grondslag liggen dan zijn deze via een link aan de titel gekoppeld.
  • Cultureel Marxisme; een poging om een filosofisch basis te legen onder het nieuwe nationalisme; Buitenhof over cultuur marxisme
  • Houden van mensen, … muziek, … specifieke dingen; is houden van iets materieels hetzelfde als houden van iets immaterieels? Hoe die verschillende vormen van houden van te begrijpen.
  • Wat zijn de implicaties van het streven naar onsterfelijkheid? Onsterfelijkheid is ook geen optie
  • De middelen om je eigen leven te beëindigen worden steeds toegankelijker, wat betekent dit voor ons? [het poedertje]
  • Is het beter om een optimist dan een pessimist te zijn als houding voor een levensfilosofie. Ben je een optimist of een pessimist en Een nieuwe levensfilosofie

Onze keuze viel uiteindelijk op de trilosoof. Het valt niet mee om hier met elkaar goed over na te denken, mede omdat we nadenken over het denken. In hoeverre denken we in dualiteiten en in hoeverre niet? Vaak is er sprake van een dualiteit tussen goed en kwaad, tussen voor en tegen en tussen iets en niets.

Hegel zag in de dialectiek ook de synthese. Hij had het over these, antithese en daaruit kwam een synthese, een situatie die beide wist te overspannen. Deze synthese werd dan weer een these, waar een antithese tegenover kwam te staan wat weer leidde tot een synthese. Zo groeit ontwikkeling, aldus Hegel.

Bij Merkel zien we een vorm van realpolitik waarin sprake is van het vinden van een oplossing voor een reëel probleem. Haalbaarheid en werkbaarheid zijn hierbij leidend. Hierbij zijn de standpunten (voor of tegen) dan veel minder van belang.
Politiek vraagt echter wel degelijk om oppositie, net zoals kritisch denken dat vraagt. Door de kritische houding van voor en tegen, these en antithese, kun je op zoek gaan naar de nuance.

Je zou zelfs kunnen stellen dat aan de trilosofie een dialectiek vooraf gaat, namelijk dat je het derde punt erbij ‘moet’ zoeken.
Is dat derde punt een compromis, of het iets wat beide punten overstijgt? Aristoteles sprak in zijn deugdenleer over het optimale midden tussen twee ondeugden. Dit optimale midden ligt dan eigenlijk op dezelfde lijn als die andere twee. Dat optimale punt is echter het beste voor de betreffende persoon op dat moment. Vergelijk de trainer die het dieet moet bepalen voor de sporter. Hij zal de maaltijd afstemmen op het gewicht van de sporter het moment in het seizoen (wedstrijd of niet), op de leeftijd en de ontwikkeling, etc. Een teveel eten en een te weinig, zijn allebei niet goed, maar het juiste is van persoon tot persoon en van moment tot moment verschillend. Wat is dan ‘dat derde punt’?

Vaak zit in het duale denken wel degelijk een tussengebied, een overgangssituatie, een glijdende schaal. Vaak is het ook niet helemaal duidelijk wanneer het een in het ander overgaat. Licht en donker zijn heel duidelijk, de schemer is vaak veel diffuser, en het is ook niet helemaal duidelijk wanneer de schemer over gaat in duisternis of in licht.

Is dat derde punt op de lijn van uitersten nu hetzelfde als trilosofie? Kun je trllosofie vergelijken met een extra dimensie, zoals je aan een tweedimensionaal beeld een derde dimensie kunt toevoegen: hoogte, breedte en diepte. Of is er naast ruimte en tijd (Kant) ook nog een derde iets?

Bij het oplossen van conflicten lijken twee partijen tegenover elkaar te staan. dit wordt vaak opgelost door de aandacht te vestigen op dat wat beide partijen willen, wensen, of voorstaan. De oplossing overstijgt dan vaak het eigenlijk conflict, waardoor dat conflict verdwijnt. Overigens geldt dit vaak niet als het conflict gaat over geld; dan is het meer voor de één minder voor de ander en is een overstijgende doelstelling vaak lastig te vinden.

Is het pleidooi voor denken in drieën misschien een pleidooi voor ruimdenkendheid? Is het een poging om mensen aan te zetten tot het zoeken naar nuances of te zoeken naar een extra perspectief? Vaak begint de kritische houding in een ‘ik ben het er niet mee eens’. Pas daarna ontstaat de nuance of een derde, vierde en/of vijfde perspectief. De start begint echter met een ontkenning of een tegenpool.

We zijn bekend met het fenomeen lateraal denken. Hierbij wordt door ene herdffiniering van het probleem een werkbare oplossing gevonden. Bijvoorbeeld ‘de wachttijd op de lift is te lang, hoe kunnen we de wachttijd verkorten’ wordt ‘de mensen ervaren het wachten op de lift als vervelend, hoe kunnen we de wachttijd opleuken, zodat het wachten niet meer vervelend is?’
Misschien is de oproep tot trilosofie een oproep tot het gesprek in de kroeg. In veel zuidelijke landen wordt er veel nagedacht over en gesproken over politiek in de kroeg. Hierdoor hebben mensen vaak een genuanceerde mening. In Nederland lijken we dit politieke krachtenspel in de kroeg te missen waardoor meningen veel ongenuanceerder tot stand komen, juist omdat de gesprekken hierover uitblijven.

Het lijkt in ieder geval een pleidooi om meer na te denken. Je zou dan ook niet zo goed kunnen pleiten voor het gebruik van andere woorden. Zoek andere woorden voor je standpunt en daardoor zul je genoodzaakt worden om je standpunt te nuanceren. Trilosofie is een hulpmiddel bij het denken. Misschien is de auteur zelf wat ongenuanceerd toen hij zijn voorstel deed. Wellicht had hij wat meer moeten zoeken naar de ontkrachting van zijn voorstel, namelijk naar voorbeelden in het dagelijks denken waarin niet de dialectiek centraal staat. Mensen denken op allerlei manieren, dat valt direct op, wanneer wij deze denkmethode bespreken.

Overigens valt het ons op dat het denken wellicht kan vragen om ruimdenkendheid, nuance en zorgvuldigheid dus om allerlei dimensies, maar het handelen van de mens is uiteindelijk een keuze voor iets en is daarmee eendimensionaal.
Het ontstaan van nieuwe kennis leidt overigens niet direct tot een nieuwe manier van handelen. Het wat wetenschappelijke kennis heeft er heel lang over gedaan voordat het gemeengoed werd in het handelen. Mensen geven niet zo eenvoudig hun ‘kennis’ en ‘referentiekader’ op. Het is niet zo eenvoudig om te zeggen dat je je het niet goed deed, omdat je kennis niet afdoende was.

Wellicht een interessante uitzending van Tegenlicht in relatie tot dit onderwerp: Kwestie van vertrouwen
Comments

Altruisme - Peter Singer

Op deze vrije avond hebben de deelnemers de volgende onderwerpen voorgesteld:

  1. De trilosoof - naar aanleiding van een artikel in NRC. Deel niet alles op in tweeën - conform het duale denken, maar wordt trilosoof, zoek het derde perspectief erbij. Al het goede komt in drieën. Hoe zou de wereld eruit zien als we deze in drieën beschouwen? Deel niet alles op in twee, wordt triosoof
  2. De digitale nomade. Gudde komt met het perspectief dat we als mens onszelf en de wereld om ons heen kunnen ordenen. Wanneer iets digitaal is, en we zelf digitaal in de wereld staan, kunnen we dan nog wel ordenen? Hoe zien onze identiteiten er dan uit als deze louter digitaal zijn? Tegenwoordig kun je je digitaal vestigen in Letland, digitaal een bedrijf vestigen. Welke identiteit heb je dan? Zijn er ook al digitale landen waarin je digitaal kunt wonen? Hoe ziet de toekomst eruit als we een digitale nomade zijn?
  3. Wat is de functie van het geheugen? Zonder geheugen is een relatie onmogelijk.
  4. Solidariteit. Hoe belangrijk is solidariteit in een gemeenschap en/of samenleving? Kan een gemeenschap / samenleving wel bestaan als er geen solidariteit bestaat? En hoe krijgt solidariteit vorm?
  5. Altruïsme. Peter Singer bepleit een vorm van altruïsme waarbij iemand ervoor moet kiezen om een zeer goede betaalde baan na te streven, bijvoorbeeld bij de bank, en dan zo goed als al het verdiende geld weg te geven aan een efficiënt en effectief werkend goed doel, bijvoorbeeld: het verspreiden van netten om malaria tegen te gaan. Hoe altruïstisch is het om over de ruggen van de ene mens geld te verdienen en dit aan een andere mens te geven. Kun je dan niet beter ervoor zorgen

De keuze gaat uit naar: Altruïsme.
Zie ook het online artikel: de logica van effectief altruïsme
De uitgangspunten voor altruïsme lijken relatief eenvoudig:
1. heel veel verdienen - een zo goed mogelijk betaalde baan
2. zelf spaarzaam leven - niet meer toe eigenen dat je strikt noodzakelijk nodig hebt
3. het overschot weggeven aan de meest efficiënte liefdadigheidsorganisatie, waardoor zo veel mogelijk mensen geholpen worden met het geld dat je weggeeft.

De vraag die gesteld word is of het niet veel beter is om zelf goed te doen. Dus om in stap 1 goed te zorgen voor de mensen met wie je werkt, dus goed te doen in je eigen leefomgeving? Deze vraag wordt ingegeven, mede vanuit het perspectief dat heel veel van de mensen die heel veel geld verdienen dit lijken te verdelen over de ruggen anderen. Regelmatig worden we geconfronteerd met zaken als slechte arbeidsomstandigheden, lage lonen, bedenkelijke financiële constructies en stijging van de salarissen aan de top terwijl het in de bedrijven slecht gaat. Al deze berichten wekken de indruk dat veel geld verdienen maar moeizaam samen gaat met altruïsme, of wat wellicht wat algemener geformuleerd: solidariteit.
De grote vraag die naar aanleiding hiervan rijst is: waarom is het beter om op bedenkelijke wijze veel geld te verdienen en dat weg te geven, dan op beperkte schaal goed te doen in je directe leefomgeving?

Lastig hierbij is, is dat we niet kunnen en mogen oordelen: we moeten waken voor een inquisitie. Het hoeft niet slecht te zijn om veel geld te verdienen. We moeten er voor waken om ‘het verdienen van geld’ als slecht te beoordelen. Er wordt nog wel naar een maatschappelijk fenomeen gewezen dat steeds minder mensen over een steeds groter gedeelte van het geld beschikken en daarbij dus ook bepalen hoe dit geld weer maatschappelijk verdeeld wordt, al dan niet via liefdadigheid of verdelen van arbeid.
Een vraag die hierbij opkomt is wie er verantwoordelijk is voor het verdelen van het geld en hoe dit goed verdeeld wordt (distributieve rechtvaardigheid). Hoe kan kapitaal het beste maatschappelijk verdeeld worden?We laten deze vraag rusten.

De vraag die we ons stellen is waarom zou het beter zijn om - evt. op min of meer bedenkelijke wijze - veel geld te verdienen en dat weg te geven, dan op beperkte(re) schaal goed te doen in je directe leefomgeving?

We komen hiermee aan bij de ethiek van Singer. Deze is gebaseerd op het utilitarisme: het grootste goed voor de grootste groep. Singer zoekt - ook op ethisch gebied - naar ‘winstmaximalisatie’. Het is een soort weegschaal. Aan de ene kant van de balans vinden we de mensen die profiteren van het altruïsme en aan de andere kant van de balans de mensen die hieronder lijden. Wanneer de mensen die lijden hier niet ernstig onder lijden en de mensen die hiervan beter worden hier erg veel beter van worden, dan slaat de balans naar de goede kant uit, dan is dit ethisch wenselijk. Goed doen mag leed veroorzaken, mits het goede groter en beter is dan het veroorzaakte leed.

Lastig hierbij is wel, zo volgt al snel het voorbeeld, wanneer het redden van één kind uit het water, meer kost dan het redden van honderd kinderen ver weg, of je dan dit ene kind nog wel mag redden. Dus wanneer een nat pak (stomerij) en evt. hulpdiensten meer kosten dan het redden van honderd kinderen met behulp van een medicijn tegen kinderpolio of je dan niet voor dat laatste hoort te kiezen. Je kunt immers iedere euro maar één keer uitgeven. En hoe leg je dat uit aan de ouders: “sorry, ik heb er voor gekozen om uw kind niet te redden uit het water omdat mij dat vijfhonderd euro kost (schoenen en pak) en door deze vijfhonderd euro te schenken aan Unicef redt ik vijftig kinderen. Dit laatste is een betere en altruïstischere wijze van bestaan.”

Is dit waar het in altruïsme om gaat? Gaat het daadwerkelijk om het grootste goed voor de grootste groep en daar mogen mensen best onder lijden, zeker als ze in staat zijn om dat leed te dragen?

Wat is altruïstisch gedrag?
- bestaat altruïsme uit het geven van veel geld aan goede doelen?
- veronderstelt altruïsme dat je er zelf onder lijdt? Moet goed doen pijn doen?
- wat is belangrijkste: de intentie waarmee je handelt, de daad die je stelt of de gevolgen van de daad?
- moet altruïsme onbaatzuchtig zijn?
- in hoeverre is een daad altruïstisch als je daar zelf beter van wordt?

Is het bij altruïsme eigenlijk wel belangrijk wie het doet? Moeten we niet veeleer kijken naar wat er gedaan wordt. Heel wat filantropen wensen anoniem te blijven. Het hoeft niet altijd duidelijk te zijn wie wat geeft. Wat maakt een daad een altruïstische daad. En kunnen we dit formuleren los van de vraag wie het doet. Is het beter om als Dagobert Duck eentiende van je fortuin af te geven aan het buurthuis dan als bijstandsmoeder een paar uur in de week vrijwilligerswerk te doen in hetzelfde buurthuis?
Is de intentie hierbij ook belangrijk? Is de ene intentie een betere intentie dan de andere intentie? Als je geeft omdat dit fiscaal interessant is, of, in het geval van Dagobert Duck, je Govert Goudglans wil aftroeven, of omdat je de buurt een warm hart toedraagt of misschien wel omdat je de sociale contacten tijdens het vrijwilligerswerk zo fijn vindt? Waneer is er sprake van altruïsme?

Het geven wat de ene kant van het altruïsme is, kent ook nog een andere kant: namelijk het ontvangen. Wat betekent het altruïsme voor de mens die geholpen wordt. Het gaat hierbij dus veeleer om de gevolgen van de daad. Los van de intentie en los van de daad? De gevolgen staan natuurlijk nooit los van de daad, juist omdat ze er een gevolg van zijn. Zo kan altruïsme er toe leiden dat mensen hun handen gebruiken om hun hand op te houden voor hulp, maar het kan er ook toe leiden dat ze via de hulp worden aangezet om hun handen te gebruiken om te werken en zo voor zichzelf te zorgen. De hulp kan bijdragen aan een betere gezondheidszorg, wat er toe leidt dat de mensen gezonder zijn en er meer kinderen blijven leven en ieder fysiek minder lijdt. Enerzijds leidt dit tot een grotere druk op de beschikbare middelen anderzijds is er minder lichamelijk leed door ziekte? Wat is beter?

In verschillende religies is het geven - in de vorm van goede daden of het delen van je voedsel - een belangrijk onderdeel van het goede leven. De aanwezigheid van bedelmonniken dragen ertoe bij dat mensen kunnen delen. De monnik en de gever helpen elkaar De monnik omdat hij/zij kan leven conform de richtlijnen van de monnik van de giften die hij ontvangt. De gever draagt bij aan haar goede leven doordat hij kan weggeven.
Je kunt je natuurlijk afvragen of altruïsme niet altijd een aspect in zich heeft van bijdragen aan een algemeen gemeen gevoel van ‘goed doen’. Goed doen maakt stofjes aan in de hersenenen, waardoor mensen zich ook zelf goed gaan voelen. Altruïsme lijkt zo verankerd in onze lichamelijkheid.
Leveren goede daden een schuld op? In hoeverre mag je als ouder iets van je kinderen terug verwachten? In hoeverre moet er sprake zijn van dankbaarheid of het inlossen van de hulp die je gekregen hebt? Is er sprake van wederkerigheid, en als deze er is, is die wederkerigheid dan direct of indirect? Wellicht ontstaat er zelfs een gevoel van afhankelijkheid of een relatie die zich kenmerkt door macht? Kan er ook haat ontstaan? Haat door de confrontatie met het tekort, en de afhankelijkheid die daar weer bij hoort, terwijl je het niet voor jezelf kunt regelen? Misschien ook wel weer mede door toedoen van die ander?

De vraag komt ook op in hoeverre ons altruïsme, zeker in relatie tot ‘het in leven houden van mensen’ niet tegen-natuurlijk is. Er wonen al zo veel mensen, in hoeverre is het goed dat dit er nog veel meer worden? Maar hoe regel je dat, wie doet dat, en wat is goed? Het individuele lijkt dan zo’n druppel op een gloeiende plaat. Maar mag/moet/kan je dat ervan weerhouden om altruïstisch te zijn? De persoonlijke opvatting leidt er natuurlijk wel toe dat een individu het ene wel en het andere niet een goed doel vindt.

Aan de basis van onze gedachten lijkt de vraag te rusten wat heeft een individuele mens (die bestaat of nog geboren gaat worden) nodig om een goed leven te leiden en wat is nodig om dit voor elkaar te krijgen? Wat kan ieder voor ons doen om dit voor een ander mogelijk te maken? Martha Nussbaum heeft o.a. over nagedacht. Zij komt tot een capabilities approach: Een beschaafde samenleving moet in staat zijn om mensen te laten kiezen op die gebieden die voor hun waardevol zijn. Ze onderscheid 10 essentiële gebieden, die nauw samenhangen om een menswaardig bestaan te hebben: gezondheid, lichamelijke integriteit, vrijheid, het kunnen aangaan van sociale banden, ontwikkeling van de zintuigen, ontwikkeling van fantasie, ontwikkeling van het denken, de mogelijkheid tot praktische redeneren (ethiek), de mogelijkheid om politiek actief te zijn.

Het bijzondere van haar uitgangspunten is dat dit niet primair om geld gaat, hoewel er wel geld nodig is om dit te realiseren. Het veronderstelt ook dat mensen over een minimaal inkomen kunnen beschikken waardoor ze tijd over hebben, dus hun leven niet volledig gedomineerd wordt door het verwerven van het dagelijks brood. Kan dit model gebruikt worden om te beoordelen waar en hoe het grootste goed, in het perspectief van Singer, gerealiseerd kan worden? Misschien is een netje ter bescherming tegen malaria dan niet het beste alternatief. Maar het geeft ook nog geen antwoord op de vraag waarom we dat onbekende kind uit het water moeten vissen?

Het is überhaupt de vraag in hoeverre de noodsituatie deel is aan altruïsme. Een kind uit een brandend huis halen of een mens in acute (levens)nood helpen is geen daad van altruïsme. We overwegen niet de consequenties en ook niet de alternatieven. Het enige dat telt is de nood van het moment, waar we - blindelings - gehoor aan geven.

Comments

Over symbolen en rituelen

De Brandende Braamstruik

Wil je de uitwerking ontvangen van de inleiding die Jacomijn Hendrickx gegeven heeft op 8 mei, stuur dan even een berichtje via de mail (er staat een formulier op de home-pagina) dan sturen we de uitwerking naar je toe.
Comments

De maand van de filosofie: Rust

In de korte ‘ter voorbereiding’ werd verwezen naar een stukje tekst van Dionysius de Areopagiet, of Pseudo-Dionysius, tegen. Deze tekst gaat over stilte en ook over dat wat we niet zien, de duisternis en in het verlengde hiervan het onbekende. Het zoekt naar de mogelijkheid om hier een betekenis aan te geven. Een betekenis die op zich zelf staat en niet als de afwezigheid van geluid, licht en het bekende maar dus als een zelfstandig iets in tijd en ruimte.

In onze (rustige) zoektocht naar rust wil ik stilte, duisternis en het niets centraal stellen, niet als negatie van rumoer, dat wat zichtbaar is en het licht en het niets, maar als een zelfstandig iets in ons menselijk bestaan (en dat geldt ook voor het onbekende en het niets).

Het woord rust heeft ook de betekenis van de rust in de geschreven muziek; de stiltes in de muziek, soms maar één, of zelfs een halve tel. Soms meerdere maten rust, terwijl de anderen in het ensemble of het orkest doorspelen. De rust is niet te veronachtzamen. Ik herinner me het samenspel met mijn vioolleraar, waarin we afspraken om de rusten over te slaan. Er komt dan een wonderlijk samenspel uit. De rusten hebben een betekenis, ze staan ergens voor, niet voor stilte of voor pauze, maar ze voegen iets toe aan het geheel. Ze kunnen niet weggelaten worden. De rusten zijn nodig voor een harmonisch geheel. Deze rusten zijn niet een negatie van spelen, hoewel er even niet gespeeld wordt, maar wat zijn ze dan wel?

Ze lijken niet te verwijzen naar rust, zoals we de rust kunnen vinden in de natuur, of zoals anderen deze kunnen vinden in een grote stad of op het sportveld. Rust heeft dan de betekenis van ‘opgaan in’, zoals opgaan in de natuur, in het stadsgedruis of in de sport. Het is en soort één-worden, waarbij je door niets wordt afgeleid of je nergens over nadenkt. Zou je kunnen zeggen dat rust een natuurlijk uitgangspunt is voor de mens, dat we liever rust dan onrust hebben en dat we de onrust als het ware zelf creëren, omdat we van alles aan ons natuurlijke leven hebben toegevoegd? Maar ja, wat is dan natuurlijk? Wat hoort erbij en wat niet? Kun je dat afmeten aan het antwoord op de vraag: geeft dat me rust of onrust?

Misschien heeft rust wel te maken met een gevoel van controle en overzicht. Of wellicht met een situatie die in overeenstemming is met je verwachtingen? Als je een dag gaat wandelen in de natuur en er ligt een hoop zwerfafval in het bos, dan geeft dat geen rust, omdat dat er niet hoort. Dat geeft een gevoel van onrust. Een gevoel van rust lijkt dan afhankelijk van je verwachtingspatroon en je zelfvertrouwen.

Rust is dan eerder een relatief begrip dan een absoluut fenomeen, misschien past het woord harmonie hier beter bij. De harmonie heeft dan betrekking op de omgeving, de situatie en de persoon die dat ervaart. Dat woord past ook bij de muziek: de harmonie die de noten en de rusten speelt leidt tot een harmonisch geheel aan klanken.

Kun je rust ook fysiek bekijken? De alerte status van de mens noemen we ook wel stress, of in nog excessievere vorm: Fright, Fight & Flight - reaction. De laatste is een bijzonder hoge mate van alertheid. Je zou zo ook een onderscheid kunnen maken tussen acute stress en langdurige of chronische stress. Rust is dan de afwezigheid van die stress en zonder negatie is dat dus een modus van verlaagde activiteit en alertheid. Rust is dan een situatie die doorgaans veel vaker aanwezig is, dan de stress situatie. Het lijkt er zelfs op, dat mensen die onvoldoende stress ervaren zelf prikkels gaan creëren. Het lijkt er dan op dat rust helemaal niet onze natuurlijke positie is. Als de rust te lang aanhoudt worden we vanzelf onrustig.

Is er een sociaal wenselijk aspect aan het fenomeen rust? Zoeken we naar rust omdat iedereen dat doet? Is ‘rust in je leven’ een modeverschijnsel of een trant? En schrijft de conventie dan ook voor wat je als rust moet ervaren? Vooral dat woordje ‘moet’ is hierin interessant.

Hannah Arendt beschrijft de twee oude fenomenen van Vita Contemplativa en Vita Activa: de ene beschrijft een arbeidzaam leven, van ambacht en (boeren)arbeid; de andere beschrijft een leven van overdenkingen. Vanuit de christelijke traditie - en dan met name het kloosterleven - is eenzelfde onderverdeling bekend: uren van arbeid en uren van gebed en (bijbel)studie. De contemplatie is dan geen rust, maar een specifieke activiteit: een geestelijke activiteit die net zo goed deel is van het mens-zijn als de fysieke activiteit. Naast deze twee activiteiten is er ook de nacht-rust. Wanneer dit het ritme van de dag is, dan hebben ze alle drie een eigen vorm van rust en alle drie een eigen vorm van activiteit.

Religie creëert misschien ook wel een andere vorm van rust, namelijk als resultante van een hoopvolle verwachting. Kierkegaard noemt dit het religies vertrouwen. Het is een vertrouwen dat rust geeft omdat ons individuele leven in de handen van God ligt. Er is dan sprake van een soort grondgevoel dat het goed is, ook al weten we niet wat dit inhoudt. Zou je kunnen zeggen dat we dit gevoel in onze seculiere samenleving zijn kwijt geraakt? Bestaat dit nog? Kunnen we dit nog wel begrijpen?

Is er een relatie tussen rust en ledigheid? Rituelen en ritmische handelingen geven ook een bepaalde vorm van rust. Hetzelfde blijven herhalen, zonder er echt bij na te denken, maar het wel moet aandacht moeten doen.

Er bestaat ook zoiets als gedwongen rust, bijvoorbeeld bij ziekte of het moeten wachten. Wanneer elke noodzaak tot handelen, waarnemen en denken wordt uitgeschakeld, misschien wel noodgedwongen dan geeft dan in beginsel heel veel onrust, maar nadien komt er een rust die ongekend is. Eigenlijk wordt je dan in beginsel geconfronteerd met de leegte van rust, die tot wanhoop lijkt te drijven en pas daarna met de rust van rust. Zouden we als mens niet ook vluchten in de activiteit omdat we bang zijn van de leegte. Dan geeft de activiteit rust omdat het ons ontstaat van denken of verplichte werkzaamheden, maar tegelijkertijd ontneemt het ons de mogelijkheid om na te denken over onszelf en over het leven. Rust doet dan een beroep op je.
Comments

distributieve rechtvaardigheid

Hoe kun je dat-wat-er-is op een eerlijke manier onder alle mensen verdelen? Dit vraagstuk staat centraal in het denken over distributieve rechtvaardigheid. Is het rechtvaardig (of eerlijk) dat de ene mens meer heeft dan de ander? Zijn er grenzen aan het (verkrijgen van) bezit? Het gaat natuurlijk niet alleen om bezit, maar ook om zaken als onderwijs, zorg, vrijheid en vrijheid.

Er zijn nog al wat verschillende uitgangspunten om dat-wat-er-is te verdelen. Deze verschillende uitgangspunten zijn ook terug te vinden in de verschillende politieke stromingen. In het kader van de aankomende verkiezingen staat deze maand in Filos deze distributieve rechtvaardigheid centraal en hoe de verschillende Nederlandse partijen hierover denken. Om nu te voorkomen dat we in een politiek debat uitkomen zijn de partijen die gebruikt zijn voor de invulling van deze avond willekeurig genummerd. Als uitgangspunt gelden het verkiezingsprogramma en eventueel, indien een partij dit op zijn/haar site publiceert, haar uitgangspunten of grondbeginselen. In het totaal is gebruik gemaakt van acht partijen. Als bonus op de avond is er een verloting van een kleinood voor die persoon die weet welke partij bij welk nummer nummer hoort.

De verschillende vormen van distributieve rechtvaardigheid zijn:
* Strict egalitarisme
* Het principe van verschil
* Het principe van bevoordelen
* Het verdelen van geluk
* Het verdelen van welzijn
* In de woestijn in alles mogelijk
* Het libertijnse principe

Strict egalitarisme

Het woord zegt het al, dat wat we gaan verdelen wordt gelijkelijk over iedereen verdeeld. Belangrijke vraag is dan natuurlijk: wat gaan we verdelen en hoeveel krijgt iedereen. En als we dit bepaald hebben, dan is het natuurlijk nog de vraag, wanneer krijgt iemand het.
Bij onze partijen komen we bij allemaal we iets tegen wat gelijkelijk over iedereen verdeeld wordt. De vorm en de voorwaarden kunnen echter wel verschillen.
Zo zien we dat ze allemaal zorg, sport en onderwijs egalitair willen verdelen. Zo wordt er door partij 1 en partij 4 gesproken over gelijke toegang tot zorg en onderwijs gesproken, terwijl de andere partijen spreken over gelijke rechten op zorg en op onderwijs voor iedereen. Wat is het verschil tussen toegang en recht. Je zou kunnen zeggen dat toegang maar een beperkte faciliteit is. De overheid hoeft er alleen maar voor te zorgen dat het beschikbaar is, dat het van een minimale kwaliteit is en dat iedereen er aan kan deelnemen. Wanneer onderwijs een recht is, dan gaat de verantwoordelijkheid van de overheid wellicht veel verder. Als het onderwijs niet passend is, of te ver weg, of niet aansluit dan is de overheid verplicht om hier werk van te maken. Wellicht zou je kunnen zeggen dat een drop-out in het eerste geval geen probleem van de overheid is, omdat de toegang er is maar de scholier / student er geen gebruik van maakt, en dat in het tweede geval de overheid er van alles aan moet doen om die scholier / student toch aan een diploma te helpen.

Leuk aspect hierbij is ook dat dit verschil tussen recht en toegang misschien ook terug te vinden is in het standpunt betreffende ‘geld om te studeren’. Moet is een basisbeurs voor iedereen zijn, of een mogelijkheid voor iedereen om tegen een gunstig tarief te lenen? De basisbeurs past bij een recht, de mogelijkheid om te lenen bij toegang tot.

Partij 6 spreekt over gelijke kansen voor iedereen. Het is met name het onderwijs dat dit moet helpen realiseren. De gelijke kans die er voor iedereen is, is dan een resultante van onderwijs. We hebben hier dan te maken met bruggetje naar het principe van verschil, het principe van bevoordelen en wellicht zelf het verdelen van geluk, maar hierover later meer.

Er is ook een partij, te weten partij 8 die staat voor een gelijke verdeling van de macht. Op alle plekken waar mensen samenkomen en/of samenwerken, in welke vorm dan ook, moet de macht gelijkelijk verdeeld worden over alle betrokken, vaak de burgers of participanten.

Andere vormen van strict-egalitarimse zijn de AOW en de kinderbijslag. In de huidige verkiezingen zijn er ook een paar partijen die het hebben over een basisinkomen voor iedereen. Partij 2, partij 5 en partij 7 zien een gelijk basisinkomen voor iedereen als een goede verdeling van dat wat is. Partij 5 vindt dit alleen nodig voor mensen die geen werk hebben. Vergelijk ook de bijstandsuitkering die we nu al kennen. Niemand van deze partijen staat overigens voor dat iedereen een gelijk inkomen moet hebben. Het gaat vooral op een start inkomen en mensen zijn vrij om hier zelf extra geld aan toe te voegen door werk of groei van vermogen.

Vlak tax is in de basis ook een egalitair systeem: iedereen betaald evenveel belasting. De vraag is dan natuurlijk is dit een absolute waarde of een relatieve waarde: gaat het om hetzelfde bedrag of om eenzelfde percentage? Menigeen zal zeggen: eenzelfde percentage.

Bij onze partijen zien we nog een vorm van egalitarisme terug, namelijk in relatie tot werk en inkomen. Gelijk werk betekent ook een gelijk inkomen. Het probleem dat deze partijen willen oplossen is de ongelijke beloning tussen seksen, leeftijd of arbeidsvorm (loondienst versus zzp-er). Partij 6 ziet in de constructie van de ZZP-er of de arbeider uit een oost-europees land een vorm van uitbuiting. Dus moet iedereen die in Nederland hetzelfde werk doet hiervoor ook hetzelfde betaald krijgen. Partij vindt het raar dat er verschillende contractvormen zijn en dat dit tot een andere belonging leidt. Ze is van mening dat een andere contractvorm een onrechtmatig verschil is. Partij 1 ziet dat diegene die het werk doet, de zzp-er of de persoon in loondienst, een ongelijk deel van hun verdiensten over houden. Ze leven allebei in een ander belasting klimaat, ook dit is een onrechtmatig verschil, ze doen namelijk hetzelfde. Bijkomend probleem is dat de werknemer in loondienst sociale lasten betaald en de zzp-er niet. De solidariteit in Nederland komt dan onder druk te staan.

Verschil, bevoordelen en geluk

Het principe van verschil, het principe van bevoordelen en het verdelen van geluk liggen heel dicht bij elkaar. Vaak is het niet zo goed te doorgronden welk principe nu leidend is.

Het principe van verschil komt van John Rawls. Dit principe gaat er vanuit dat er verschillen zijn tussen mensen die er eigenlijk niet toe doen. Wanneer je een besluit neemt over zorgkosten dan moet je dat besluit nemen, zonder dat je weet wat de consequenties voor jezelf zijn. Je moet dus vergeten of je zelf man of vrouw bent, ziek of gezond, jong of oud. Het besluit dat je neemt mag niet een specifieke groep in de samenleving onrechtmatig bevoordelen of benadelen.

Bij een aantal partijen wordt dit principe gebruikt om het eigen risico in de zorg te bestrijden. Ze stellen namelijk dat iemand die chronisch ziek is onrechtmatig veel extra kosten heeft, dan iemand die niet chronisch ziek is. De zorgkosten voor een chronische zieke zijn dus altijd veel hoger dan voor iemand die niet chronisch ziek is. Datzelfde kan gezegd worden over ouderen. Ouderen zijn vaker ziek dus hebben zij onrechtmatig meer kosten dan de mensen die niet ziek zijn. Zo wil partij 3 een lager eigen risico en partij 7 en partij 8 wil af van het eigen risico.

Het principe van bevoordelen gaat er vanuit dat er achterstanden zijn die onrechtmatig zijn en dat die weggewerkt moeten worden. Het bekendste voorbeeld hiervan is de emancipatie van vrouwen, waarbij vrouwen extra rechten krijgen om een betere positie te verwerven. Dit principe komen we onder andere heel mooi tegen bij partij 1. Deze partij constateert dat bij werk en inkomen aandacht moet zijn voor het wegwerken van achterstanden voor vrouwen, ouderen, de jeugd, mensen met een beperking en mensen met een niet westerse achtergrond deze ervaren. Dus voor iedereen behalve de westerse man. De manier om dit weg te werken is door ze te bevoordelen waardoor extra mogelijkheden of extra kansen ontstaan.

Het verdelen van geluk ligt hier heel dicht bij. Alleen het uitgangspunt is iets anders. Dit principe gaat er van uit dat de situatie waarin je geboren wordt/bent, volstrekt willekeurig is en dat je dus pech of geluk kunt hebben. Kijkend naar de wereld kun je bijvoorbeeld stellen dat je, wanneer je geboren bent in Nederland veel meer kansen en mogelijkheden hebt dan wanneer je geboren wordt in Kenia. Maar ook in Nederland kun je pech of geluk hebben. Zo heb je meer geluk wanneer je geboren wordt in een ‘grachtengordel-gezin’ dan wanneer je geboren wordt in een allochtonen gezin op Zuid in Rotterdam. De kansen voor/van het grachtengordel kind zijn vele mate groter dan die voor het kind uit Zuid in Rotterdam. Waar je geboren wordt, is voor het kind volstrekte willekeur, daar kon het kind niets aan doen. Wanneer je dus dat-wat-er-is op rechtvaardige wijze wilt verdelen dan moet je rekening houden met deze willekeur van geboorte.
Eigenlijk lijkt alleen partij 6 hier op in te spelen. Ze stelt: een samenleving is nooit af. Ze verdient continu onderhoud, om achterstand en ongelijkheid te bestrijden en gelijke kansen voor mensen te scheppen. Ze wil een gelijke start voor iedereen en gelijke kansen van jongs af aan.

Het verdelen van welzijn

Het verdelen van welzijn komen we eigenlijk maar bij twee partijen tegen. Kerngedachte is dat welzijn bepalend is voor de verdeling van dat-wat-is. Er moet dus een antwoord gegeven worden op de vraag ‘wat is nodig voor het welzijn van iemand’. En als iemand dit ontbeert, dan heeft deze persoon daar recht op. Bij partij 7 komen we welzijn als een belangrijk uitgangspunt tegen voor alle politieke standpunten: Hoe minder het bijdraagt aan het vergroten van het welzijn van de één, hoe minder het geoorloofd is om het welzijn van de ander aan te tasten. Deze partij stelt dat samenleven altijd ten koste gaat van het welzijn van anderen, dat kan niet anders, maar dat we ons wel moeten afvragen hoeveel we van het welzijn van de ander mogen opofferen voor ons eigen welzijn.
De vraag is dan natuurlijk: wat is nodig voor welzijn? Is één smartphone genoeg of heb je er drie nodig? Hoeveel leren jassen, tassen en schoenen heb je nodig voor je welzijn? Hoeveel vlees heb je nodig wil er sprake zijn van welzijn?
Het is niet eenduidig vast te stellen wat welzijn is, maar we kunnen er wel met elkaar over nadenken. De bovengrens is dan misschien niet zo duidelijk, wellicht vinden we eerder overeenstemming over de ondergrens. Hoewel: er zijn heel wat onderzoeken naar geluk die hebben vastgesteld dat boven een bepaald inkomen het gevoel van welzijn/geluk niet significant meer toeneemt met de groei van het inkomen dan daaronder.
Ook partij 2 heeft het over welzijn. Deze partij stelt dat de verschillende levensfases verschillende vormen van welzijn kennen. Het welzijn van een gezin met jonge kinderen krijgt op een andere manier vorm dan het welzijn van een gezin zonder kinderen of van een gezin waarvan de kinderen studeren. En het welzijn van ouderen vraagt weer om andere voorwaarden als het welzijn van kinderen. Wanneer we dat-wat-er-is verdelen dan moet die verdeling rekening houden met die voorwaarden.

In de woestijn is alles mogelijk

Dan die woestijn: in de woestijn is alles mogelijk. Dit principe gaat er vanuit dat dat waar een mens recht op heeft louter afhankelijk is van effort die een mens daar zelf in gestopt heeft. Ze gaan er dus vanuit dat als je iets erg graag wilt, dat je dat dan ook voor elkaar krijgt. Hierbij zijn drie uitgangspunten van belang: de bijdrage die ze leveren, de inzet die er voor nodig is en een zekere mate van compensatie.
Het eerste punt, de bijdrage die geleverd wordt, heeft betrekking op de toegevoegde waarde. Mensen moeten worden beloond voor dat wat hun werk aan waarde toegevoegd aan het geheel. Het tweede punt heeft betrekking op de inzet van mensen. Mensen moeten worden beloofd voor hun inzet en doorzettingsvermogen in relatie tot dat wat het opbrengt. En het derde punt heeft dan betrekking op het feit dat mensen zelf hebben geïnvesteerd in tijd en/of geld om dit voor elkaar te krijgen. Mensen moeten worden gecompenseerd voor de kosten (materiaal en immaterieel) de ze maken om de toegevoegde waarde te realiseren.
Als we dit goed doen, zo gaat dit principe er vanuit, dan zal de algemene levensstandaard van alle mensen hoger worden, zal het algemeen welzijn voor iedereen vergroot worden en is er sprake van een sociaal maatschappelijk product.
Waar komen we dit nu tegen bij onze partijen? Het lijkt erop dat we dit alleen tegenkomen bij partij 1 en partij 4. Ook zij stellen dat dat wat een mens realiseert voornamelijk afhankelijk is van de effort die hij er zelf in stopt. Overigens erkennen zo ook dat er zoiets bestaat als talent. Ze zien dat mensen kunnen verschillen in talent en dus ook in de mogelijkheden om bij te dragen aan het sociaal maatschappelijk product.
Overigens is dat sociaal maatschappelijk product een interssant fenomeen omdat dit meer is dan een materieel of financieel product. Sociaal maatschappelijk gaat bijvoorbeeld ook over kunst, cultuur en wetenschap. Het is dus een veel breder perspectief van alleen economie of materialisme.
Overigens is er wel een partij die zich hier expliciet tegen afzet. Deze partij gelooft namelijk niet dat dit principe tot welzijn noch tot een sociaal maatschappelijk product leidt. Dit is partij 7.

Het libertijnse principe

Het lijkt erop dat we dit niet tegenkomen bij de acht partijen die gebruikt zijn om deze verschillende perspectieven toe te lichten. Dit principe kijkt alleen maar naar de wijze waarop iemand iets verkrijgt. Dus hoe eigen je je iets toe van dat-wat-er-is. Eigenlijk wordt er dus niets verdeeld in de strikte zin van het woord. Ieder mens heeft het recht zich iets toe te eigen en het is de manier waarop iemand dit doet wat bepaald of dit rechtvaardig is gebeurt.
Welke regels gelden hier dan voor volgens het libertijnse principe? Dit rust op drie uitgangspunten:
1. Het goed dient op rechtvaardige wijze verkregen te zijn, waarbij arbeid eigendom creëert en wanneer iemand zich iets toegeëigend (door arbeid) dan moet er nog genoeg (en van dezelfde kwaliteit) overblijven voor de rest van de wereld;
2. Er moet op rechtvaardige wijze gehandeld worden;
3. Iets wat niet verkregen noch verhandeld is, is van niemand
Even twee voorbeelden om arbeid en overschot toe te lichten: wanneer ik door middel van noeste arbeid goud weet te delven dan mag ik dat maar in zoverre doen, dat er voor de rest van de wereld genoeg goud (en in dezelfde kwaliteit) overblijft. Wanneer ik als boer water nodig heb voor het besproeien van mijn land en ik hier een distributie- en irrigatie-systeem voor aanleg, dan mag ik maar zoveel van het water gebruiken dat er nog genoeg over blijft voor de andere boeren.
Het tweede punt, de rechtvaardige handel is eigenlijk een praktische afgeleide van de eerste. Immers, geen mens is in staat om door zijn eigen arbeid volledig in zijn levensonderhoud te voorzien. Het lukt een mens gewoonweg niet om autarkisch te zijn.
Bijzonder is wel dat deze vorm van distributieve rechtvaardigheid spreekt over rechtvaardig handelen. Echt handig is het niet om in de uitwerking van een principe hetzelfde woord te gebruiken. Er is dus een specificatie nodig van ‘rechtvaardig handelen’.
Ten aanzien van bezit leidt tot de volgende uitgangspunten: mensen bezitten zichzelf, de wereld is initieel van iemand, iedere mens kan een disproportioneel deel van de wereld bezitten, mits de rest van de wereld daar maar niet slechter van wordt, het is relatief eenvoudig om voor jezelf meer te verwerven dan je voor jezelf nodig hebt, zonder dat een ander daar slechter van wordt, dus zijn een vrije markt, geld en arbeid moreel noodzakelijk.
Je zou kunnen zeggen dat een basis hiervan in ons land aanwezig is. Alleen lijkt het erop dat dit nooit een libertijns begin heeft gehad. Het feodale systeem en de kolonisaties die vooraf gingen aan onze huidige wereld doen geen recht aan deze libertijnse uitgangspunten voor een rechtvaardige verdeling van dat wat is. Ook onze internationale handel lijkt hier niet op te stoelen. Het is wellicht interessant om te kijken hoe onze internationale handelsverdragen scoren op rechtvaardigheid wanneer we ze langs deze meetlat leggen.
Hoe eerlijk is het als arbeiders van het ene land significant goedkoper zijn dan arbeiders uit het andere land, terwijl ze in hetzelfde land hetzelfde werk doen? Hoe rechtvaardig is het dat wij producten uit arme landen toe-eigenen tegen bijzonder laag arbeidsloon? Hoe rechtvaardig is het dat een beperkt deel van de wereld zich het grootste gedeelte van de fossiele brandstoffen toe-eigent? Of, hoe rechtvaardig is het dat een beperkt deel van de wereld zich het grootste gedeelte van het voedsel toe-eigent?

Wie is wie?

Het was een bijzonder avond, vooral omdat we over politiek gesproken hebben zonder polarisatie, debatten en gelijk-hebben en gelijk-krijgen. We hebben onderzocht hoe er op verschillende manieren over rechtvaardigheid gedacht kan worden en geconstateerd dat er niet één waarheid of één vorm van rechtvaardigheid is. De ‘input’ vanuit de verschillende partijen was overigens niet uitputtend en de partijen hebben natuurlijk ook nog hun standpunten over veiligheid en justitie, wat onder andere vormen van rechtvaardigheid valt. Het is dus echt geen totaalbeeld van de politieke partijen.

Oh ja, en wie is nu wie? Welke partij hoort bij welk nummer? Hieronder het antwoord in een plaatje.

wie is wie
Comments

zekerheid versus twijfel

Door: Tim De Mey, universitair docent wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit en auteur van het boek “het voordeel van de twijfel”.

Deze avond zal in het teken staan van wetenschapsfilosofie. Belangrijke vragen zijn dan “wat is kennis?”, “kan ik tot kennis komen?” en “kan ik iets zeker weten?”. Het gaat dus om ervaringen en duidingen van die ervaringen, maar vooral ook om alternatieve verklaringen en mogelijkheden. Is er zoiets als een wereld om ons heen en hoe kunnen we die begrijpen?

____________________

De twee principes van Paul Feyerabend (1924-1994):
hardnekkigheid - lang vasthouden
proliferatie - verschillende hypotheses, het liefst zo veel mogelijk (alternatieven)

In tegenstelling tot de uitgangspunten van Popper en Lakatos wilde Feyerabend zich niet conformeren aan algemene uitgangspunten voor de wetenschap. Hij vond dat we het denken moesten los laten om tot nieuw weten te kunnen komen. Feyerabend was ook een tegenhanger van Kuhn, deze laatste zocht naar het voorbeeld dat zijn hypothese ontkrachten. Feyerabend ging bij voorbaat op zoek naar mogelijke andere hypotheses die ook van toepassing zouden kunne zijn.

Mill stelde al: Laat ideeën vrijelijk concluderen, dan komt het ware idee boven drijven.
En hoewel dit wellicht niet helemaal waar is - dat het ware idee komt bovendrijven - omdat macht ook een rol speelt is het uitgangspunt wel heel werkbaar. Het is belangrijk om de vraag te stellen of te onderzoeken of de gebeurtenis ook veroorzaakt zou kunnen worden door andere dingen dan we in eerste instantie denken. Kortom: Zijn er ook andere hypotheses mogelijk om te verklaren wat er gebeurt? Is het mogelijk om verschillende opvattingen / perspectieven naast elkaar te laten bestaan?

belangrijke vraag: Kunnen ideeën waar worden of zijn ze waar en weten we dat alleen (nog) niet?
is er zoiets als: dat wat geacht wordt juist te zijn?

Welke ervaring maakt dat we iets gaan onderzoeken?

Twijfel als menselijke eigenschap.

Dilemma:
Stelling van Kuhn: als iedereen het met elkaar eens is, dan ontstaat vooruitgang. Verandering van paradigma leidt tot stagnatie.

Twijfel zaaien is constant van perspectief wisselen, dit zou tot stagnatie leiden. Twijfel slaat de handel dood, maar twijfel start ook het onderzoek.

Sextus Empiricus en het Pyrrhonisme, zie ook de Stanford online encyclopedie
Het Pyrrhonisme gaat er vanuit dat de waarheid bestaat, maar dat wij deze als mens niet kunnen kennen. Voor elke stelling (over de werkelijkheid) zijn even krachtige argumenten vóór als tégen te geven. En als je de argumenten tegen niet kent, dan moet je er naar op zoek gaan.

Pierre-Narcisse Guérin’s Le retour de Marcus Sextus (1799)

afbeelding: Pierre-Narcisse Guérin’s - Le retour de Marcus Sextus (1799)
Wellicht ook interessant: over Hegel en het Pyrrhonisme

————— wat is waar versus wat is waarheid ——————

Waar is dat wat in overeenstemming is met de werkelijkheid - dit betreft dus een eindeloze reeks met dingen
Waarheid betreft een bewering die in overeenstemming is met de werkelijkheid - dit gaat dus alleen maar over beweringen en stellingen.

De uitspraak ‘iedereen zijn eigen waarheid’ is dus eigenlijk een rare uitspraak. Wat je wel kunt zeggen is dat mensen iets voor waar kunnen houden.

————————— einde intermezzo ——————————

Conclusie: Als er dus evenveel en even krachtige argumenten voor als tegen zijn, dan kan ik als mens geen keuze maken. Als ik al een keuze maak, dan rust dat op een eigen vooroordeel. Ik doe er dan dus goed aan om mij mening / opvatting op te schorten.

Is er een patstelling? Wordt er niet voorbij gegaan aan het leven als je louter beschouwend de wereld toegemoed treedt? Kunnen we naar de wereld kijken los van ons menszijn? We kijken altijd naar de wereld vanuit ons menselijk perspectief. (Vergelijk het concept / begrip Umwelt)

Wanneer er verschillende argumenten voor én verschillende argumenten tegen zijn, er er geen mogelijkheid is om te kunnen kiezen, dan ontstaat een levenshouding zonder houvast. Maar volgens het Pyrrhonisme moeten we wel blijven zoeken naar de waarheid. Het is dus een blijven zoeken naar nieuwe argumenten.

Stelling: een dergelijke houding slaat het handelen dood.
Vergelijk ook de waarschuwing van Descartes betreffende de twijfel: Beperk de twijfel tot het denken, tot een afgebakend moment en in relatie tot het onderzoek. Doe je het altijd, dan kun je niet meer bestaan.

Stelling: om te handelen met je keuzes maken.
Vergelijk ook Hannah Arendt met haar kritiek op Kant: je kunt niet blijven beschouwen, zodra je handelt kies je partij, ook als je besluit om niets te doen, kies je partij!

Het rationalisme leert echter te zoeken naar een criterium om basis waarvan je je keuze kunt maken, het leert dan meteen dat je dit criterium weer moet kunnen verantwoorden. Dit criterium kunnen we echter niet vinden.

JH: De keuze toont wie we zijn als mens, de keuze toont onze individualiteit en ons mens-zijn.

De Pyrrhonist kiest tijdelijk, maar blijft wel twijfelen. Je moet blijven opletten, je immers nooit of je het goed gedaan hebt. De schade kan echter wel onherroepelijk zijn!?
Om te overleven is handelen noodzakelijk en zijn dus vooroordelen nodig. Het twijfelen lijkt dan meer een theoretisch verhaal. Een leven in een gemeenschap rust op vooroordelen. Veel twijfelen en handelen zoals ‘het voorgeschreven is in de gedeelde vooroordelen van de gemeenschap’.

Abductie - deductie - inductie
inductie is een conclusie afleiden uit verschillende waarnemingen
deductie is een conclusie afleiden uit ideeën / concepten (vooroordelen)
abductie is een bewust proces waarbij een mogelijke verklaring als juiste wordt gekozen, er zijn dan voldoende voorwaarden worm deze verklaring mogelijk zou kunnen zijn, maar er is geen sprake van een noodzakelijke voorwaarde. De grote pre van de abductie is dat de denker weet dat hij vanuit een vooroordeel oordeelt.
De bekendste voorbeelden van abductie is het plaatje met de eend en de haas, de afbeelding ‘what’s on a men’s mind’ waarin enerzijds het hoofd van een oudere man zichtbaar is en anderzijds een blote vrouw. Beide afbeeldingen kunnen we zien, maar wel maar eentje tegelijkertijd. Ze kunnen in onze waarneming niet gelijktijdig bestaan (hoewel het plaatje ze allebei bevat).

Kritisch denken en creatief denken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Kritisch denken gaat om het afstrepen van mogelijkheden, creatief denken gaat om het creëren van mogelijkheden.
Of een alternatieve mogelijkheid relevant is wordt bepaald door kennis en de context. Er is nogal wat voor nodig om een alternatieve hypothese af te strepen/vinken.

Draait het het denken om het ontmantelen van drogredenen of om het vinden van mogelijke alternatieve mogelijkheden?

Stelling: zonder hypothese kun je niets vinden

Wat maakt iets tot iets dat relevant is? Hier is eigenlijk geen antwoord op te geven. Nadenken leidt tot twijfel.

alternatieve mogelijkheden - alternatieve werkelijkheden - alternatieve feiten

disinformatie, diswerkelijkheid

de schets van de werkelijkheid als machtsfactor

vertrouwen versus macht


Comments

De utopie van alledag

1 januari - het nieuwe jaar, als het nieuwe begin, opnieuw beginnen.
Waarom vieren we zo graag dit nieuwe? Waarom geloven we in dit nieuwe begin? Waarom is dit nieuwe zo belangrijk?

Al enige tijd worden we overstelpt met de boeken van goeroes. Het gaat dan om de ideale inrichting van je huis, de ideale voeding, het ideale bewegingsgedrag en tegenwoordig zelfs het ideale geluk (bijvoorbeeld Deens geluk of Japans geluk)

Utopie versus Topie


De Utopie is een filosofisch tekst, vaak met een ethische lading, waarin aan de hand van een ideaalstaat of ideale situatie de (ethische) mankementen van het huidige bestaan aan het licht worden gebracht. De meeste utopieën zijn niet geschreven om ze te realiseren maar om manco’s aan het licht te brengen. Thomas More met zijn Utopia had niet de ambitie om deze staat te stichten. Ook Bacon met zijn Novum Organum ging er niet vanuit dat zijn eiland ooit het daglicht zou zien. De tegenhanger van de utopie is de Dystopie en dit is het doembeeld. Het bekendste voorbeeld hiervan is wellicht 1984 van Orwell (geschreven in 1948).

Citaat uit Trouw (2-1-2017) Orde in de ladekast:
Devisch is van mening dat we helemaal nergens van af hoeven te geraken, behalve dus misschien van onze onvrede: "Als mens leven we onvermijdelijk in een spanningsveld van verveling en drukte, orde en chaos. Geen van beide hoeft te overheersen. We verlangen altijd naar iets. Dat is ons eigen. Maar het leven is altijd voor een deel wél en voor een deel níet onder je controle." Het 'ordinaire utopisme' van onthaasters en ontrommelaars doet het misschien zo goed omdat het het verlangen dat ons eigen ik aanspreekt en steeds een nieuw begin belooft, een uitweg uit het alledaagse is, een ontkennen van het gegeven dat het leven gepaard gaat met aanmodderen en chaos aanharken. Maar we moeten er niet intrappen, waarschuwt Prins en ook niet steeds gedwee achter onze 'ordinaire' verlangens aanhobbelen: "Steeds als we in die valkuil van het ordinair utopisme dreigen te vallen, moeten we onszelf tot de orde roepen. We moeten weer topisch worden en het alledaagse leren waarderen.”

Een ander aspect in relatie tot de utopie van alledag is je betere zelf. De meeste smartphones zijn intussen al uitgerust met een stappenteller, die iedere meet hoeveel stappen je op een dag zet en je hiervan een terugkoppeling geeft of dit genoeg is.
Het wetenschappelijk institutie QSI (Qualified Self Institute), onderdeel van de Hanze Universiteit heeft de zelfmetingen als basis van haar onderzoek. De missie van QSI is: ‘het bevorderen van een gezonde leefstijl door een combinatie van technologie, wetenschap en fun’. De apps op de telefoon zijn hierbij doel en/of middel.

Het artikel uit Trouw vervolgt "De grote aantrekkingskracht van QS zit in het feit dat het aansluit bij de aloude wijsheid ‘ken u zelf’, vervolgt De Groot. ‘Het registreren van wat je doet vergroot je zelfbewustzijn en dat geeft je meer macht over jezelf. Zelfbewustzijn is de eerste stap op weg naar zelfregulatie. En daarmee naar zelfbeheersing. En dat biedt een perspectief op een beter of gezonder leven.’"

Conclusie: je laten leiden door data, betekent dat je je niet meer hoeft te laten leiden door ‘zoiets vaags als verlangens, gevoelens of intuïtie’.

Apps rondom de big five (Quantified Self Institute): beweging, voeding, slaap, stress en sociale interactie. Het uitgangspunt hiervan is, dat al deze vijf op orde zijn, dat je als mens een goed leven leidt.
Een kunstproject heeft zich specifiek op de menselijke en sociale interactie gefocust: pplkpr (peeplekeeper) via de app word de kwaliteit van de contactmomenten met anderen bijgehouden; met welke mensen heb je fijne momenten en met welke mensen niet. Bij ieder contact met een persoon wordt je gevraagd met wie het was en of je er blij van werd. Uiteindelijk zal de app je vertellen met welke mensen je niet meer moet omgaan en met welke mensen wel.

Het meten levert ook meteen doelstellingen op en het gevoel van succes en falen.
De apps kwantificeren van het bestaan. Zo leidt de mens een leven gericht op resultaten (genoeg beweging, genoeg slaap, gezonden voeding, juiste vrienden, geen stress)

Dit kan een sterk gevoel geven van ‘regie te hebben op het eigen leven’.
Kelly en Wolf stellen dat getallen antwoord kunnen geven op moeilijk te beantwoorden (levens)vragen, maar ook kunnen zorgen voor het herkennen van patronen die voorheen onzichtbaar waren. (QSI)
Kunnen getallen antwoord geven op (levens)vragen?

Het QSI ziet een meerwaarde voor deze apps waarin mensen zichzelf meten als een goed onderdeel van het basisonderwijs. Het jezelf kwantificeren als onderdeel van het basisonderwijs. Is dat een goed plan?
Kanttekening die hierbij geplaatst kan worden is dat kinderen naar verloop van tijd hun interesse lijken te verliezen het kwantificeren van hun activiteiten (ze dragen een bandje maar doen er niets meer mee).

Het veranderen van de wereld om je heen en je eigen gedrag lijkt een vast onderdeel te zijn van het hedendaagse bestaan. We creëren hiervoor een eigen persoonlijke utopie of krijgen deze via de apps in handen, zoals bijvoorbeeld het minimaal aantal stappen stappen op een dag, het benodigde aantal uren slaap, en de kwaliteit en kwantiteit van ons sociale leven. Gaat het om voorkomen of draait het om genezing? Is die focus wel goed? Wat als je goed leeft en toch ziek of ongelukkig bent?

Draait het in de verandering om een doelgerichte verandering of gaat het om de verandering zelf, ongeacht de vorm? We hebben het ook wel heel zwaar… Ons paradijs ligt niet meer in een leven na de dood, maar ligt hier op aarde. De sociale druk om ‘gelukkig te zijn’ lijkt erg fors te zijn. En hoewel heel wat goeroes beweren het antwoord zeggen te weten op de vraag hoe je gelukkig wordt, lijkt het er toch sterk op dat dit voor de volgelingen nog niet het ware geluk op te leveren. Heel wat mensen hoppen van goeroe naar goeroe.

Zijn al die goeroe’s niet veeleer hypes, waarbij het ook een rol speelt om aan de hype mee te doen? Kleding kent haar trends in de mode en de persoonlijke levenshouding in de apps en door goeroe’s voorgehouden levensstijlen.

Uit een dergelijke run op goeroe’s zou je kunnen afleiden dat mensen niet gelukkig zijn. Maar het is veel moeilijker om vast te stellen wat oorzaak en gevolg is. Mensen verwachten een geluk te vinden en vinden dit niet, wat was er eerst, de verwachting of het gemis?
Misschien past het beeld van de ezel met de wortel hier wel bij? De ezel loopt achter een wortel aan de voor zijn neus hangt. Deze wortels is echter met een stok vastgemaakt aan de halsband van de ezel en zal dus steeds op dezelfde plek voor de neus van de ezel blijven hangen. Het zal de ezel nooit lukken om de wortel te pakken te krijgen. Bijkomend effect: de ezel zal alleen nog maar met de wortel bezig zijn en zal de rest van de wereld uit het oog verliezen. Is dit beeld van toepassing op mensen die via apps en goeroes hun leven willen controleren en veranderen?

Is er een relatie tussen het volgen van de goeroes, het managen van jezelf via apps en het zoeken naar nieuw geluk een vorm van individualisme en hedonisme? Draait het alleen nog maar om het eigen bestaan en het eigen leven en is de ander en de wereld louter dienstbaar aan dat eigen leven? Welke levensvisie ligt ten grondslag aan sociale contacten die zoveel mogelijk leuk en fijn moeten zijn?

Draait het om “meten is weten” of om “de maakbare wereld”. Gaat het bij zelfkennis om de vraag ‘wie ben ik?’ of om de vraag wie wil ik zijn en wat moet ik doen om dat te realiseren? Gaat het dan om een 'betere zelf’ of om een ‘andere zelf’?

Is er wel zoiets als een zelf? en bestaat er wel zoiets als zelfkennis? Is zelfkennis niet een spiraal die zichzelf nooit zal omsluiten zodra je weer wat meer weet over je zelf moet je ook weer die kennis tot je nemen.

Kun je uit dergelijke tendensen aflezen dat de meeste mensen niet gelukkig zijn? Dit in tegenstelling tot alle onderzoeken waarbij de Nederlander tot de gelukkigsten ter wereld behoord? Misschien leven mensen wel met één of ander onbestemd gevoeld wat ze niet fijn vinden en waar ze vanaf willen? Zou dit ‘angst voor de dood’ kunnen zijn?
Zijn we bezig met een utopie of zijn we bezig met een ‘vlucht van’ dat gevoel van onbehagen?

Misschien is het ook wel een gevoel van onrust waar we gewoon mee moeten leren leven. Misschien is het de onrust van het niet zeker weten hoe te moeten leven dat naarstig naar houvast zoekt.

Vanuit welke utopie worden al die goeroes en al die app-makers gedreven? Wat zien zijn als ideaal?

De oudste vormen van actieve zelfreflectie zijn misschien wel gewoon het ‘praten met jezelf’ en het schrijven van een dagboek. Beide zetten, zeker wanneer je je eigen handelen bevraagt aan tot zelfreflectie. Zo erg is dat toch niet? Sterker nog, door heel wat filosofen werd dat als een groot goed beschouwd? Zijn die apps wezenlijk anders dan een dagboek?
Als de app een middel is, dan lijkt het niet wezenlijk anders, als de app gaat regulieren wellicht wel. Wat als je moet ontspullen en je bent op dag tien en je kunt niets meer vinden in huis omdat je huis al bijna helemaal leeg is? En wat als je op dag tien helemaal geen tijd hebt om te ontspullen? Hoe leidend wordt de app, het boek of de goeroe?

Wellicht is het helemaal niet raar dat we als mens iets utopisch is ons hebben, dat we het graag beter willen hebben. Het verbeteren van jezelf is vaak ook een goede drijfveer, beter leren lezen, muziek leren maken, nieuwe boeken lezen, etc. het nieuwe daagt ons ook uit. Vaak is het van te voren niet duidelijk hoe het eruit zal zien en dus is het beeld altijd utopisch, maar het zet wel in beweging en maakt het nieuwe mogelijk. Zonder een goede verwachting van dat wat we gaan doen, zal niets worden ingezet. Wat is een leven zonder hoop?

Een paar citaten van Peter Sloterdijk uit "Je moet je leven veranderen”

———— over ijdelheid en egoïsme ————

"De gewone ijdelheid van de stervelingen, die de spirituele mensen zozeer in het oog springt, is in de regel geen teken voor een verhoogde betrokkenheid op zichzelf, ze duidt eerder op de bezetenheid van de individuen door de idolen van het collectief en op hun al dan niet naïve pogingen zich daarnaar te voegen. Het voor de uiterlijke schoon zo opvallende 'egoïsme' van de wereldmensen geeft in werkelijkheid aan dat de psyche overweldigd is door een drogbeeld van de Ander - Het is dan ook meestal slechte een onbegrepen vorm van invasief altruïsme, een koste wat kost willen schitteren in de ogen van de ouders of de stamoudsten.” (pag. 250)

———— over historisch en a-historisch ————

"Wat men het historisme noemt, is dus alleen oppervlakkig gezien de beschouwing van alle dingen onder het gezichtspunt van het worden; wat zijn diepere betekenis betreft is het identiek aan de progressieve verbreiding van de perfectionistische infectie over grotere eenheden, tot aan het reëel existerende maximum toe, of dat nu volk, mensheid of universum wordt genoemd." (pag. 272)
De curriculum-gedachte

"Ofschoon de Indische cultuur een ten diepste perfectionistische en in deze zin historische cultuur was, kwam ze nooit op de gedachte collectieve perfecties als serieuze opties te laten gelden. Haar onverschilligheid ten aanzien van de ideeën van de progressieve heilspolitiek werd door westere ideologen met het predicaat 'ahistorisch' beloond." (pag. 278)

————— oriëntatie op volkomenheid ————

"De oriëntatie op volkomenheid was in de begintijd van het perfectiemotief uitsluitend en alleen zaak van wijzen en heiligen" (pag. 271)
dit perfectie-motief is overgeslagen op het volk en zelfs op het universum: de evolutietheorie.

"Aanzetten hiertoe zijn sedert tweehonderd jaar onder tendentieuze begrippen als 'Verlichting' of 'evolutie' en in de desbetreffende grote verhalen in omloop. Bijna niemand beseft dat in deze uitdrukkingen anonieme perfectie-ideeën doorwerken die onder een strikt individueel, op de afzonderlijke ziel gericht voorteken in de gekerstende woestijn waren uitgebroed." (pag. 272)

————— werken en oefenen ————

"uiteraard doet zich in de altijd tot overdrijving geneigde Indische trappensystemen ook de escalatiewet gelden, volgens welke elke formulering van een eindtrap, ook al is die nog zo extreem, altijd nog een fractie extremer kan, door chicanes, herhalingen en opeenstapelingen van abstractis, zonder dat ook maar iemand in staat zou zijn met behulp van criteria die misschien getoetst maar in elk geval meegedeeld kunnen worden, aan te geven of de erbij bedachte graden van perfectie nog enige concrete inhoud bezitten. In het Mongoolse lamaïsme schijnt zelfs de samadhi, die hier uiteraard slecht nominaal herinnert aan de legendarische eindtoestnad van Indische meditatieoefeningen, in 116 trappen onderverdeeld te zijn geweest - een actieprogramma voor vele propvolle reincarnaties. De verdenking dringt zich op dat voor veel volkomenen de volkomenheid te saai is geworden om na het bereiken ervan de handen in de schoot te leggen. Zoals het Westen de schrik van de werkloosheid kent (de sociologische benaming voor de depressie), zo kent het Oosten de horror van de oefenloosheid. Wat ligt dan meer voor de hand dan de verheerlijking omhoog te stuwen? niets lijkt eenvoudiger dan na het nirwana anderhalf nirwana te 'bereiken'. Een ander drijvende kracht achter de opstuwing van de perfecties is ongetwijfeld gelegen in de psychodynamische instabiliteit van de eindtoestanden, waarover ook de westers monnikenliteratuur onder het trefwoorden 'verleiding', 'beproeving' en 'terugval' het een en ander te zeggen hadden." (pag. 281)
Comments